BWBR0024269
Geldig vanaf 2008-08-01
Artikel 4
Uitvoeringsregeling strategische goederen
1. De melding inzake de uitvoer uit Nederland of de doorvoer door Nederland van militaire goederen, waarvoor geen vergunning is vereist op grond van het bij of krachtens het besluitbepaalde, vindt plaats bij de inspecteur.
2. De melding wordt schriftelijk gedaan door de beschikkingsbevoegde, door degene die voor hem de douaneformaliteiten bij de uitvoer of de doorvoer verricht, of, indien geen douaneformaliteiten worden verricht, door de persoon die de goederen vervoert.
3. De melding bevat in ieder geval:
a. het land van bestemming;
b. de naam van de ontvanger van de goederen;
c. de omschrijving van de goederen waarop de melding betrekking heeft overeenkomstig de Gemeenschappelijke lijst van militaire goederen, de merken en nummers, het aantal en de soort van de colli vermelden, of voor onverpakte goederen het aantal voorwerpen;
d. een nauwkeurige vermelding van de plaats, bestaande uit de naam van de plaats en de postcode aangevuld met huisnummer, waar de goederen kunnen worden onderzocht.
4. De inspecteur kan een persoon, die gehouden is om meldingen te doen, schriftelijk toestemming geven de melding anders dan schriftelijk te doen.
5. De melding wordt gedaan voor inlading in het uitgaande vervoermiddel of, indien het doorvoer betreft uiterlijk op het moment van binnenkomst op het grondgebied van Nederland.
6. Een aanvraag ter verkrijging van een consent tot binnenkomen, bedoeld in artikel 14 van de Wet wapens en munitie, de summiere aangifte voor tijdelijke opslag bedoeld in artikel 186 van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek, mits zij is voorzien van de bij artikel 4, derde lid, letter c en d bedoelde gegevens en de aangifte ten (weder)uitvoer bedoeld in artikel 182bis van het Communautair douanewetboek, mits zij is voorzien van de bij artikel 4, derde lid, letter c en d bedoelde gegevens gelden als melding inzake de doorvoer door Nederland als bedoeld in het eerste lid.
2. De melding wordt schriftelijk gedaan door de beschikkingsbevoegde, door degene die voor hem de douaneformaliteiten bij de uitvoer of de doorvoer verricht, of, indien geen douaneformaliteiten worden verricht, door de persoon die de goederen vervoert.
3. De melding bevat in ieder geval:
a. het land van bestemming;
b. de naam van de ontvanger van de goederen;
c. de omschrijving van de goederen waarop de melding betrekking heeft overeenkomstig de Gemeenschappelijke lijst van militaire goederen, de merken en nummers, het aantal en de soort van de colli vermelden, of voor onverpakte goederen het aantal voorwerpen;
d. een nauwkeurige vermelding van de plaats, bestaande uit de naam van de plaats en de postcode aangevuld met huisnummer, waar de goederen kunnen worden onderzocht.
4. De inspecteur kan een persoon, die gehouden is om meldingen te doen, schriftelijk toestemming geven de melding anders dan schriftelijk te doen.
5. De melding wordt gedaan voor inlading in het uitgaande vervoermiddel of, indien het doorvoer betreft uiterlijk op het moment van binnenkomst op het grondgebied van Nederland.
6. Een aanvraag ter verkrijging van een consent tot binnenkomen, bedoeld in artikel 14 van de Wet wapens en munitie, de summiere aangifte voor tijdelijke opslag bedoeld in artikel 186 van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek, mits zij is voorzien van de bij artikel 4, derde lid, letter c en d bedoelde gegevens en de aangifte ten (weder)uitvoer bedoeld in artikel 182bis van het Communautair douanewetboek, mits zij is voorzien van de bij artikel 4, derde lid, letter c en d bedoelde gegevens gelden als melding inzake de doorvoer door Nederland als bedoeld in het eerste lid.