BWBR0024199
Geldig vanaf 01-08-2008
Artikel 3
Besluit ex artikel 37 van de Wet op de economische delicten
1. De aan de in artikel 1 bedoelde directeurs van 's Rijks belastingen en domeinen verleende bevoegdheid geldt ter zake van:
a. overtredingen van het Deviezenbesluit 1945, voor zover deze betrekking hebben op: 1. frauduleuze in- en uitvoer van goederen,
2. met frauduleuze in- en uitvoer van goederen gepaard gaande frauduleuze in- en uitvoer van betaalmiddelen tot een waarde van ten hoogste honderd gulden, en deze overtredingen niet blijken samen te hangen met andere deviezenovertredingen, ter zake waarvan eveneens een vervolging wordt ingesteld;
1. frauduleuze in- en uitvoer van goederen,
2. met frauduleuze in- en uitvoer van goederen gepaard gaande frauduleuze in- en uitvoer van betaalmiddelen tot een waarde van ten hoogste honderd gulden, en deze overtredingen niet blijken samen te hangen met andere deviezenovertredingen, ter zake waarvan eveneens een vervolging wordt ingesteld;
b. overtredingen van voorschriften, gesteld bij en krachtens de artikelen 1:4, eerste en tweede lid, en 3:1 van de Algemene douanewet;
2. Bevoegd is de directeur, binnen wiens ambtsgebied het feit is begaan. In geval van twijfel dienaangaande worden de stukken ter verdere behandeling in handen gesteld van de bevoegde officier van justitie.
a. overtredingen van het Deviezenbesluit 1945, voor zover deze betrekking hebben op: 1. frauduleuze in- en uitvoer van goederen,
2. met frauduleuze in- en uitvoer van goederen gepaard gaande frauduleuze in- en uitvoer van betaalmiddelen tot een waarde van ten hoogste honderd gulden, en deze overtredingen niet blijken samen te hangen met andere deviezenovertredingen, ter zake waarvan eveneens een vervolging wordt ingesteld;
1. frauduleuze in- en uitvoer van goederen,
2. met frauduleuze in- en uitvoer van goederen gepaard gaande frauduleuze in- en uitvoer van betaalmiddelen tot een waarde van ten hoogste honderd gulden, en deze overtredingen niet blijken samen te hangen met andere deviezenovertredingen, ter zake waarvan eveneens een vervolging wordt ingesteld;
b. overtredingen van voorschriften, gesteld bij en krachtens de artikelen 1:4, eerste en tweede lid, en 3:1 van de Algemene douanewet;
2. Bevoegd is de directeur, binnen wiens ambtsgebied het feit is begaan. In geval van twijfel dienaangaande worden de stukken ter verdere behandeling in handen gesteld van de bevoegde officier van justitie.
- Citeren als
- Art. 3
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0024199
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl