BWBR0023386
Geldig vanaf 2008-02-01
Artikel 2
Besluit gedragsbeïnvloeding jeugdigen
1. De rechter kan bij schorsing van de tenuitvoerlegging van het bevel tot voorlopige hechtenis, naast de in artikel 493, zesde lid, van het Wetboek van Strafvorderinggenoemde bijzondere voorwaarde van hulp en steun, één of meer van de volgende bijzondere voorwaarden aan de schorsing verbinden:
1°. zich gedurende een door de rechter te bepalen termijn te houden aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering, ook indien deze aanwijzingen inhouden dat de verdachte zich onder behandeling van een bepaalde deskundige of bepaalde instantie zal stellen;
2°. het aanvaarden van intensieve begeleiding;
3°. het volgen van een leerproject van ten hoogste 120 uren;
4°. op een bepaald tijdstip of gedurende een bepaalde periode op een bepaalde locatie aanwezig te zijn;
5°. zich op bepaalde tijdstippen te melden bij een bepaalde instantie;
6°. een verbod contact te leggen of te laten leggen met bepaalde personen of instellingen;
7°. een verbod om zich op of in de directe omgeving van een bepaalde locatie te bevinden;
8°. een verbod op het gebruik van alcohol, verdovende middelen of andere middelen die het gedrag van de jeugdige in negatieve zin kunnen beïnvloeden;
9°. andere bijzondere voorwaarden, het gedrag van de jeugdige betreffende.
2. Een behandeling als bedoeld in het eerste lid, onderdeel 1°, of de voorwaarde, bedoeld in het eerste lid, onderdeel 9°, kunnen geheel of ten dele bestaan uit een vorm van zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onderdelen a en b, van de Wet op de jeugdzorg, indien de stichting, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van die wetten aanzien van de verdachte een besluit heeft genomen waaruit blijkt dat deze op deze vorm van zorg is aangewezen.
3. De rechter kan de werking van de bijzondere voorwaarden, genoemd in het eerste lid, beperken tot een bij de beslissing tot schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis te bepalen tijdsduur, met dien verstande dat een behandeling als bedoeld in het eerste lid, onderdeel 1°, de begeleiding bedoeld in het eerste lid, onderdeel 2°, en de voorwaarde, bedoeld in het eerste lid, onderdeel 9°, ten hoogste zes maanden kunnen duren.
4. Dit lid is nog niet in werking getreden.
5. Indien de rechter aan de schorsing van de voorlopige hechtenis de bijzondere voorwaarde van hulp en steun, bedoeld in artikel 493, zesde lid, van het Wetboek van Strafvordering, verbindt, geeft hij tot het verlenen van die hulp en steun opdracht aan de jeugdreclassering.
6. De in artikel 493, zesde lid, van het Wetboek van Strafvorderingbedoelde instemming moet blijken uit een door de verdachte ondertekende verklaring, waarin de aard en inhoud van de bijzondere voorwaarden zijn omschreven. De instemming van de verdachte kan eveneens blijken uit het proces-verbaal ter terechtzitting.
1°. zich gedurende een door de rechter te bepalen termijn te houden aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering, ook indien deze aanwijzingen inhouden dat de verdachte zich onder behandeling van een bepaalde deskundige of bepaalde instantie zal stellen;
2°. het aanvaarden van intensieve begeleiding;
3°. het volgen van een leerproject van ten hoogste 120 uren;
4°. op een bepaald tijdstip of gedurende een bepaalde periode op een bepaalde locatie aanwezig te zijn;
5°. zich op bepaalde tijdstippen te melden bij een bepaalde instantie;
6°. een verbod contact te leggen of te laten leggen met bepaalde personen of instellingen;
7°. een verbod om zich op of in de directe omgeving van een bepaalde locatie te bevinden;
8°. een verbod op het gebruik van alcohol, verdovende middelen of andere middelen die het gedrag van de jeugdige in negatieve zin kunnen beïnvloeden;
9°. andere bijzondere voorwaarden, het gedrag van de jeugdige betreffende.
2. Een behandeling als bedoeld in het eerste lid, onderdeel 1°, of de voorwaarde, bedoeld in het eerste lid, onderdeel 9°, kunnen geheel of ten dele bestaan uit een vorm van zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onderdelen a en b, van de Wet op de jeugdzorg, indien de stichting, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van die wetten aanzien van de verdachte een besluit heeft genomen waaruit blijkt dat deze op deze vorm van zorg is aangewezen.
3. De rechter kan de werking van de bijzondere voorwaarden, genoemd in het eerste lid, beperken tot een bij de beslissing tot schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis te bepalen tijdsduur, met dien verstande dat een behandeling als bedoeld in het eerste lid, onderdeel 1°, de begeleiding bedoeld in het eerste lid, onderdeel 2°, en de voorwaarde, bedoeld in het eerste lid, onderdeel 9°, ten hoogste zes maanden kunnen duren.
4. Dit lid is nog niet in werking getreden.
5. Indien de rechter aan de schorsing van de voorlopige hechtenis de bijzondere voorwaarde van hulp en steun, bedoeld in artikel 493, zesde lid, van het Wetboek van Strafvordering, verbindt, geeft hij tot het verlenen van die hulp en steun opdracht aan de jeugdreclassering.
6. De in artikel 493, zesde lid, van het Wetboek van Strafvorderingbedoelde instemming moet blijken uit een door de verdachte ondertekende verklaring, waarin de aard en inhoud van de bijzondere voorwaarden zijn omschreven. De instemming van de verdachte kan eveneens blijken uit het proces-verbaal ter terechtzitting.