BWBR0022406
Geldig vanaf 2007-09-01
Artikel 3
Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar regionale verkeershandhaving 2007
1. De opsporingsbevoegdheid van de buitengewoon opsporingsambtenaar strekt zich uit tot ten hoogste de strafbare feiten genoemd in:
a. artikel 435, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht;
b. artikel 34 van de Wet Administratiefrechtelijke Handhaving Verkeersvoorschriften (WAHV);
c. artikel 14, eerste lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorvoertuigen (WAM);
d. artikel 5.6.8., eerste en tweede lid van de Regeling Voertuigen;
e. de artikelen 20, 21, 22, 22a, 32, 35, 59, 59a, 59b60, 61a, 62, 68 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990);
f. artikel 107, eerste en tweede lid, artikel 135, eerste lid, artikel 160, eerste, derde en vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994).
2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van heel Nederland.
a. artikel 435, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht;
b. artikel 34 van de Wet Administratiefrechtelijke Handhaving Verkeersvoorschriften (WAHV);
c. artikel 14, eerste lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorvoertuigen (WAM);
d. artikel 5.6.8., eerste en tweede lid van de Regeling Voertuigen;
e. de artikelen 20, 21, 22, 22a, 32, 35, 59, 59a, 59b60, 61a, 62, 68 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990);
f. artikel 107, eerste en tweede lid, artikel 135, eerste lid, artikel 160, eerste, derde en vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994).
2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van heel Nederland.