BWBR0022277
Geldig vanaf 2007-07-22
Artikel 5
Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar agentschap Telecom 2007
1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd bij de opsporing van de in artikel 3, eerste lid, genoemde strafbare feiten gebruik te maken van de bevoegdheden, bedoeld in artikel 8, eerste en derde lid, van de Politiewet 1993. Hij gedraagt zich overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk 7 van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar.
2. De buitengewoon opsporingsambtenaar kan gedurende de uitoefening van zijn taak uitgerust zijn met:
a. handboeien van een door de Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Justitie goedgekeurd merk en type;
b. een korte wapenstok van een door de Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Justitie goedgekeurd merk en type;
c. een semi-automatisch pistool van het merk Walther, type P5, kaliber 9 millimeter maal 19 millimeter;
d. Pepperspray.
2. De buitengewoon opsporingsambtenaar kan gedurende de uitoefening van zijn taak uitgerust zijn met:
a. handboeien van een door de Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Justitie goedgekeurd merk en type;
b. een korte wapenstok van een door de Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Justitie goedgekeurd merk en type;
c. een semi-automatisch pistool van het merk Walther, type P5, kaliber 9 millimeter maal 19 millimeter;
d. Pepperspray.