BWBR0022143
Geldig vanaf 2007-06-30
Artikel 6
Tijdelijke subsidieregeling maritieme innovatie
1. Subsidiabele projectkosten zijn uitsluitend:
a. de volgende noodzakelijke, rechtstreeks aan het project toe te rekenen en door de aanvrager na indiening van de subsidieaanvraag gemaakte kosten: 1°. loonkosten van direct bij het project betrokken personeel uitgaande van een uurloon zoals weergegeven in de loonstaat ingevolge artikel 7.2 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011; het uurloon wordt berekend op basis van 1650 productieve uren per jaar;
2°. kosten van aanschaf van benodigde materialen en hulpmiddelen gebaseerd op historische aanschafprijzen;
3°. kosten van het gebruik van bestaande machines en apparatuur, die niet geheel voor het project zijn aangeschaft;
4°. afschrijvingskosten van een schip gedurende verletdagen berekend volgens de voor dat schip gebruikelijke boekhoudkundige praktijk en onderbouwd door middel van een accountantsverklaring met een maximum van € 50.000;
5°. kosten van machines en apparatuur, die geheel voor het project zijn aangeschaft;
6°. aan derden verschuldigde kosten en kosten van gebruik van apparatuur bij kennisinstellingen en ondernemers;
7°. kosten van octrooiaanvraag;
8°. omzetbelasting indien de subsidieaanvrager de omzetbelasting niet kan verrekenen;
1°. loonkosten van direct bij het project betrokken personeel uitgaande van een uurloon zoals weergegeven in de loonstaat ingevolge artikel 7.2 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011; het uurloon wordt berekend op basis van 1650 productieve uren per jaar;
2°. kosten van aanschaf van benodigde materialen en hulpmiddelen gebaseerd op historische aanschafprijzen;
3°. kosten van het gebruik van bestaande machines en apparatuur, die niet geheel voor het project zijn aangeschaft;
4°. afschrijvingskosten van een schip gedurende verletdagen berekend volgens de voor dat schip gebruikelijke boekhoudkundige praktijk en onderbouwd door middel van een accountantsverklaring met een maximum van € 50.000;
5°. kosten van machines en apparatuur, die geheel voor het project zijn aangeschaft;
6°. aan derden verschuldigde kosten en kosten van gebruik van apparatuur bij kennisinstellingen en ondernemers;
7°. kosten van octrooiaanvraag;
8°. omzetbelasting indien de subsidieaanvrager de omzetbelasting niet kan verrekenen;
b. een opslag voor algemene kosten van ten hoogste 25 procent van de in het eerste lid, onderdeel a, onder 1° bedoelde loonkosten.
2. De subsidieaanvrager kan bij de subsidieaanvraag een verzoek indienen om de berekening van de loonkosten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 1°, en de algemene kosten te mogen vervangen door een in zijn organisatie gebruikelijke, controleerbare methodiek. Dat verzoek gaat vergezeld van het gebruikte kostenmodel, de berekeningswijze daarvan en een goedkeurende accountantsverklaring.
a. de volgende noodzakelijke, rechtstreeks aan het project toe te rekenen en door de aanvrager na indiening van de subsidieaanvraag gemaakte kosten: 1°. loonkosten van direct bij het project betrokken personeel uitgaande van een uurloon zoals weergegeven in de loonstaat ingevolge artikel 7.2 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011; het uurloon wordt berekend op basis van 1650 productieve uren per jaar;
2°. kosten van aanschaf van benodigde materialen en hulpmiddelen gebaseerd op historische aanschafprijzen;
3°. kosten van het gebruik van bestaande machines en apparatuur, die niet geheel voor het project zijn aangeschaft;
4°. afschrijvingskosten van een schip gedurende verletdagen berekend volgens de voor dat schip gebruikelijke boekhoudkundige praktijk en onderbouwd door middel van een accountantsverklaring met een maximum van € 50.000;
5°. kosten van machines en apparatuur, die geheel voor het project zijn aangeschaft;
6°. aan derden verschuldigde kosten en kosten van gebruik van apparatuur bij kennisinstellingen en ondernemers;
7°. kosten van octrooiaanvraag;
8°. omzetbelasting indien de subsidieaanvrager de omzetbelasting niet kan verrekenen;
1°. loonkosten van direct bij het project betrokken personeel uitgaande van een uurloon zoals weergegeven in de loonstaat ingevolge artikel 7.2 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011; het uurloon wordt berekend op basis van 1650 productieve uren per jaar;
2°. kosten van aanschaf van benodigde materialen en hulpmiddelen gebaseerd op historische aanschafprijzen;
3°. kosten van het gebruik van bestaande machines en apparatuur, die niet geheel voor het project zijn aangeschaft;
4°. afschrijvingskosten van een schip gedurende verletdagen berekend volgens de voor dat schip gebruikelijke boekhoudkundige praktijk en onderbouwd door middel van een accountantsverklaring met een maximum van € 50.000;
5°. kosten van machines en apparatuur, die geheel voor het project zijn aangeschaft;
6°. aan derden verschuldigde kosten en kosten van gebruik van apparatuur bij kennisinstellingen en ondernemers;
7°. kosten van octrooiaanvraag;
8°. omzetbelasting indien de subsidieaanvrager de omzetbelasting niet kan verrekenen;
b. een opslag voor algemene kosten van ten hoogste 25 procent van de in het eerste lid, onderdeel a, onder 1° bedoelde loonkosten.
2. De subsidieaanvrager kan bij de subsidieaanvraag een verzoek indienen om de berekening van de loonkosten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 1°, en de algemene kosten te mogen vervangen door een in zijn organisatie gebruikelijke, controleerbare methodiek. Dat verzoek gaat vergezeld van het gebruikte kostenmodel, de berekeningswijze daarvan en een goedkeurende accountantsverklaring.