BWBR0022129
Geldig vanaf 2007-06-28
Artikel 6
Openstellingsbesluit Innovatie Groen Onderwijs 2007
1. Met betrekking tot de aanvraagperiode, genoemd in artikel 2, bedraagt het subsidieplafond, bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de regelingtotaal € 9,2 miljoen, waarvan:
a. € 7,2 miljoen voor programma’s en programmaonderdelen, en
b. € 2 miljoen voor projecten, niet zijnde programmaonderdelen.
2. De beschikbare subsidie voor programma’s en programmaonderdelen wordt als volgt nader verdeeld over de thema’s:
– € 1 mln. per thema voor de thema’s Regionale transities, Dierenwelzijn en LNV-kennis voor burgers/jongeren;
– € 500.000,– per thema voor de thema’s Agrologistiek, Biologische landbouw, Melkveehouderij, Tuinbouw, Voeding & Gezondheid en Ondernemerschap;
– € 300.000,– per thema voor de thema’s Leren & werken, Gewasbescherming en Internationalisering, en
– € 100.000,– per thema voor de thema’s Paardenhouderij, Ketenkennis en Bos & Natuurbeheer, specifiek voor programmaontwikkeling.
3. Bij onderuitputting voor het budget voor projecten, niet zijnde programmaonderdelen, wordt het restant van dat budget toegevoegd aan het budget voor programma’s en programmaonderdelen.
4. Bij eventuele onderuitputting per thema besluit de Minister over het al dan niet beschikbaar stellen van het resterend budget voor één van de andere thema’s.
a. € 7,2 miljoen voor programma’s en programmaonderdelen, en
b. € 2 miljoen voor projecten, niet zijnde programmaonderdelen.
2. De beschikbare subsidie voor programma’s en programmaonderdelen wordt als volgt nader verdeeld over de thema’s:
– € 1 mln. per thema voor de thema’s Regionale transities, Dierenwelzijn en LNV-kennis voor burgers/jongeren;
– € 500.000,– per thema voor de thema’s Agrologistiek, Biologische landbouw, Melkveehouderij, Tuinbouw, Voeding & Gezondheid en Ondernemerschap;
– € 300.000,– per thema voor de thema’s Leren & werken, Gewasbescherming en Internationalisering, en
– € 100.000,– per thema voor de thema’s Paardenhouderij, Ketenkennis en Bos & Natuurbeheer, specifiek voor programmaontwikkeling.
3. Bij onderuitputting voor het budget voor projecten, niet zijnde programmaonderdelen, wordt het restant van dat budget toegevoegd aan het budget voor programma’s en programmaonderdelen.
4. Bij eventuele onderuitputting per thema besluit de Minister over het al dan niet beschikbaar stellen van het resterend budget voor één van de andere thema’s.