BWBR0022117
Geldig vanaf 2007-06-24
Artikel 3
Besluit mandaat en machtiging handhaving Inspectoraat-Generaal VROM
1. De inspecteur-generaal is bevoegd tot het verlenen van ondermandaat en het doorverlenen van zijn machtiging, bedoeld in artikel 2, eerste lid, aan de regionaal inspecteurs en de plaatsvervangend regionaal inspecteurs.
2. De inspecteur-generaal is bevoegd tot het verlenen van ondermandaat en het doorverlenen van zijn machtiging, bedoeld in artikel 2, eerste lid, aan de directeur van de Kernfysische dienst en zijn plaatsvervanger, voorzover deze bevoegdheid betrekking heeft op de handhaving van de Kernenergiewet.
3. De inspecteur-generaal is bevoegd tot het verlenen van ondermandaat en het doorverlenen van zijn machtiging, bedoeld in artikel 2, eerste lid, aan het hoofd Stafafdeling crisismanagement en zijn plaatsvervanger, voorzover deze bevoegdheid betrekking heeft op de handhaving van het Vuurwerkbesluit.
4. De uitoefening door de inspecteur-generaal van de bevoegdheden, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, geschiedt bij schriftelijk besluit, met voorafgaande instemming van de algemene leiding.
2. De inspecteur-generaal is bevoegd tot het verlenen van ondermandaat en het doorverlenen van zijn machtiging, bedoeld in artikel 2, eerste lid, aan de directeur van de Kernfysische dienst en zijn plaatsvervanger, voorzover deze bevoegdheid betrekking heeft op de handhaving van de Kernenergiewet.
3. De inspecteur-generaal is bevoegd tot het verlenen van ondermandaat en het doorverlenen van zijn machtiging, bedoeld in artikel 2, eerste lid, aan het hoofd Stafafdeling crisismanagement en zijn plaatsvervanger, voorzover deze bevoegdheid betrekking heeft op de handhaving van het Vuurwerkbesluit.
4. De uitoefening door de inspecteur-generaal van de bevoegdheden, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, geschiedt bij schriftelijk besluit, met voorafgaande instemming van de algemene leiding.