1. De deskundige leden, bedoeld in de
artikelen 48, derde lid,
66, vijfde lid,
67, vijfde lid, en
69, tweede lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie, die op de dag voor inwerkingtreding van dit besluit werkzaam zijn bij de ondernemingskamer, de pachtkamer of de bijzondere kamer bij het gerechtshof te Arnhem, en de eed of belofte, hetzij bij het desbetreffende hetzij bij het naast hoger gelegen gerecht hebben afgelegd, worden geacht te zijn beëdigd bij het gerecht dat vanaf inwerkingtreding van dit besluit bevoegd is.
2. De bij de Hoge Raad aanwezige registers, bedoeld in
artikel 5 van het Reglement voor de bijzondere kamer bij het gerechtshof te Arnhemzoals dit luidde op de dag voor inwerkingtreding van dit besluit, betreffende de raden en plaatsvervangende raden die vanaf het moment van inwerkingtreding van dit besluit werkzaam zijn bij de bijzondere kamer bij het gerechtshof te Arnhem, worden overgedragen aan het gerechtshof te Arnhem.
3. De bij de Hoge Raad aanwezige registers, bedoeld in
artikel 5 van het Reglement voor de ondernemingskamerzoals dit luidde op de dag voor inwerkingtreding van dit besluit, betreffende de raden en plaatsvervangende raden die vanaf het moment van inwerkingtreding van dit besluit werkzaam zijn bij de ondernemingskamer, worden overgedragen aan het gerechtshof te Amsterdam.
4. De bij de Hoge Raad en rechtbanken aanwezige registers, bedoeld in
artikel 5 van het Reglement voor de pachtkamerszoals dit luidde op de dag voor inwerkingtreding van dit besluit, betreffende de leden en plaatsvervangende leden en raden en plaatsvervangende raden die thans werkzaam zijn bij de pachtkamers, worden overgedragen aan de betrokken gerechtshoven en rechtbanken.