1. De directeur van de Dienst Stadstoezicht van de gemeente Amsterdam stelt in overleg met de toezichthouder op:
a. Een instructie waarin zo concreet mogelijk beschreven wordt voor welke feiten het opmaken van een proces-verbaal voor de artikelen 266 en 267 van het Wetboek van Strafrecht is toegestaan.
b. Een procedure voor de afhandeling van door de buitengewoon opsporingsambtenaar opgemaakte processen-verbaal voor de artikelen 266 en 267 van het Wetboek van Strafrecht.
2. De directeur van de Dienst Stadstoezicht van de gemeente Amsterdam zendt, overeenkomstig
artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar, voor 1 november 2007 aan de Minister van Justitie, aan de toezichthouder en aan de direct toezichthouder een evaluatie over de doeltreffendheid en de effecten van het toekennen van de opsporingsbevoegdheid voor de
artikelen 266en
267 van het Wetboek van Strafrechtin de periode vanaf 1 december 2006 tot 1 oktober 2007. Deze evaluatie voldoet aan nader door de Minister van Justitie te stellen voorwaarden.