BWBR0021306
Geldig vanaf 2007-02-24
Artikel 10
Regeling Raadsman SZW 2007
1. Een (gewezen) Raadsman SZW, voorzover deze in dienst is bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, mag niet uit hoofde van zijn activiteiten als zodanig worden benadeeld in zijn positie als ambtenaar.
2. Het indienen van een klacht als zodanig bij de Raadsman SZW mag niet leiden tot benadeling van de indiener in zijn positie als ambtenaar.
3. De Secretaris-Generaal draagt er zorg voor dat de in het eerste en tweede lid bedoelde benadeling niet plaatsvindt.
4. Indien klager van mening is dat het indienen van een klacht als zodanig heeft geleid tot benadeling in zijn positie als ambtenaar dan kan hij dit schriftelijk melden aan de Raadsman SZW.
5. De Raadsman SZW brengt een melding als bedoeld in het vierde lid direct ter kennis van de Secretaris-Generaal.
6. De Secretaris-Generaal onderzoekt de melding. Hiertoe vraagt hij in ieder geval per ommegaande aan klager en het bevoegd gezag om binnen zes weken hun schriftelijke zienswijze bij hem in te dienen.
7. De Secretaris-Generaal stelt klager en het bevoegd gezag binnen zes weken na ontvangst van de zienswijzen, als bedoeld in het zesde lid, schriftelijk in kennis van zijn bevindingen.
2. Het indienen van een klacht als zodanig bij de Raadsman SZW mag niet leiden tot benadeling van de indiener in zijn positie als ambtenaar.
3. De Secretaris-Generaal draagt er zorg voor dat de in het eerste en tweede lid bedoelde benadeling niet plaatsvindt.
4. Indien klager van mening is dat het indienen van een klacht als zodanig heeft geleid tot benadeling in zijn positie als ambtenaar dan kan hij dit schriftelijk melden aan de Raadsman SZW.
5. De Raadsman SZW brengt een melding als bedoeld in het vierde lid direct ter kennis van de Secretaris-Generaal.
6. De Secretaris-Generaal onderzoekt de melding. Hiertoe vraagt hij in ieder geval per ommegaande aan klager en het bevoegd gezag om binnen zes weken hun schriftelijke zienswijze bij hem in te dienen.
7. De Secretaris-Generaal stelt klager en het bevoegd gezag binnen zes weken na ontvangst van de zienswijzen, als bedoeld in het zesde lid, schriftelijk in kennis van zijn bevindingen.