BWBR0021232
Geldig vanaf 2001-07-28
Artikel 3
Regeling beleggen en belenen door instellingen voor onderwijs en onderzoek
1. Instellingen beleggen en belenen publieke middelen en overige middelen, voorzover deze niet zijn afgescheiden van de publieke middelen, risicomijdend.
2. Instellingen leggen de hoofdlijnen van de op het beleggen en belenen betrekking hebbende administratieve organisatie en interne controle vast, waaronder in ieder geval wordt begrepen de verdeling van taken en bevoegdheden, de voor de instelling toegestane beleggings- en beleningsvormen, de bijbehorende informatievoorziening minimaal bestaande uit een kasstroomprognose afgestemd op de beleggingshorizon, de verantwoordingsinformatie en de wijze waarop onderscheid wordt aangebracht tussen publieke en overige middelen.
3. De transacties, bedoeld in het eerste lid, worden alleen aangegaan met:
a) financiële instellingen of door financiële instellingen uitgegeven papier met minimaal een A rating, afgegeven door tenminste één erkende rating agency, of met
b) rechtspersonen voor wier papier een solvabiliteitsratio van 0% geldt, of met
c) financiële instellingen, met een kredietwaardigheid vergelijkbaar met het gestelde onder a, voorzover vastgelegd en onderbouwd door de instelling.
2. Instellingen leggen de hoofdlijnen van de op het beleggen en belenen betrekking hebbende administratieve organisatie en interne controle vast, waaronder in ieder geval wordt begrepen de verdeling van taken en bevoegdheden, de voor de instelling toegestane beleggings- en beleningsvormen, de bijbehorende informatievoorziening minimaal bestaande uit een kasstroomprognose afgestemd op de beleggingshorizon, de verantwoordingsinformatie en de wijze waarop onderscheid wordt aangebracht tussen publieke en overige middelen.
3. De transacties, bedoeld in het eerste lid, worden alleen aangegaan met:
a) financiële instellingen of door financiële instellingen uitgegeven papier met minimaal een A rating, afgegeven door tenminste één erkende rating agency, of met
b) rechtspersonen voor wier papier een solvabiliteitsratio van 0% geldt, of met
c) financiële instellingen, met een kredietwaardigheid vergelijkbaar met het gestelde onder a, voorzover vastgelegd en onderbouwd door de instelling.