BWBR0020538
Geldig vanaf 2006-11-29
Artikel 5
Tijdelijke subsidieregeling nationale programma’s voor internationalisering PO en VO
1. De subsidie bedraagt voor aanvragen in het kader van:
a. BUURLANDEN: ten hoogste 70 procent van de subsidiabele kosten, met dien verstande dat per instelling niet meer wordt verleend dan € 5.000;
b. PLUVO: ten hoogste 70 procent van de subsidiabele kosten, met dien verstande dat per instelling niet meer wordt verleend dan € 10.000;
c. PLATO+: per persoon per aanvraag ten hoogste: 1°. € 1.750 voor studiebezoeken van leerkrachten of schoolleiders, met dien verstande dat voor dat onderdeel niet meer wordt verleend dan € 3.000 per activiteit per aanvraag;
2°. € 1.500 voor onderwijsstages van studenten van lerarenopleidingen;
1°. € 1.750 voor studiebezoeken van leerkrachten of schoolleiders, met dien verstande dat voor dat onderdeel niet meer wordt verleend dan € 3.000 per activiteit per aanvraag;
2°. € 1.500 voor onderwijsstages van studenten van lerarenopleidingen;
d. PITON: ten hoogste 75 procent van de subsidiabele kosten, met dien verstande dat per instelling niet meer wordt verleend dan: 1°. € 7.500 voor tweetalig onderwijs in het voortgezet onderwijs;
2°. € 4.000 voor versterkt talenonderwijs in het voortgezet onderwijs;
3°. € 5.500 voor vervroegd talenonderwijs in het primair onderwijs.
1°. € 7.500 voor tweetalig onderwijs in het voortgezet onderwijs;
2°. € 4.000 voor versterkt talenonderwijs in het voortgezet onderwijs;
3°. € 5.500 voor vervroegd talenonderwijs in het primair onderwijs.
2. Een nadere uitwerking van d e grondslagen voor het bepalen van de hoogte van de subsidie is opgenomen in de bijlagenbij deze regeling.
a. BUURLANDEN: ten hoogste 70 procent van de subsidiabele kosten, met dien verstande dat per instelling niet meer wordt verleend dan € 5.000;
b. PLUVO: ten hoogste 70 procent van de subsidiabele kosten, met dien verstande dat per instelling niet meer wordt verleend dan € 10.000;
c. PLATO+: per persoon per aanvraag ten hoogste: 1°. € 1.750 voor studiebezoeken van leerkrachten of schoolleiders, met dien verstande dat voor dat onderdeel niet meer wordt verleend dan € 3.000 per activiteit per aanvraag;
2°. € 1.500 voor onderwijsstages van studenten van lerarenopleidingen;
1°. € 1.750 voor studiebezoeken van leerkrachten of schoolleiders, met dien verstande dat voor dat onderdeel niet meer wordt verleend dan € 3.000 per activiteit per aanvraag;
2°. € 1.500 voor onderwijsstages van studenten van lerarenopleidingen;
d. PITON: ten hoogste 75 procent van de subsidiabele kosten, met dien verstande dat per instelling niet meer wordt verleend dan: 1°. € 7.500 voor tweetalig onderwijs in het voortgezet onderwijs;
2°. € 4.000 voor versterkt talenonderwijs in het voortgezet onderwijs;
3°. € 5.500 voor vervroegd talenonderwijs in het primair onderwijs.
1°. € 7.500 voor tweetalig onderwijs in het voortgezet onderwijs;
2°. € 4.000 voor versterkt talenonderwijs in het voortgezet onderwijs;
3°. € 5.500 voor vervroegd talenonderwijs in het primair onderwijs.
2. Een nadere uitwerking van d e grondslagen voor het bepalen van de hoogte van de subsidie is opgenomen in de bijlagenbij deze regeling.