BWBR0020502
Geldig vanaf 2006-11-15
Artikel 14
Investeringsregeling energiebesparing
1. De subsidie wordt alleen verleend indien:
a. de eigenaar, gerechtigde, pachter, directeur of bedrijfsleider van de landbouwonderneming beschikt over voldoende agrarische vakbekwaamheid, hetgeen blijkt uit: 1°. het bezit van een getuigschrift van een erkende landbouwkundige opleiding onderscheidenlijk van een opleiding van een hiermee gelijkwaardig niveau, of
2°. de omstandigheid dat hij op het moment van de aanvraag ten minste drie jaren op een landbouwonderneming werkzaam is geweest.
1°. het bezit van een getuigschrift van een erkende landbouwkundige opleiding onderscheidenlijk van een opleiding van een hiermee gelijkwaardig niveau, of
2°. de omstandigheid dat hij op het moment van de aanvraag ten minste drie jaren op een landbouwonderneming werkzaam is geweest.
b. de landbouwonderneming voldoet aan de geldende nationale en Europese minimumnormen op het gebied van milieu, hygiëne en dierenwelzijn, hetgeen betekent dat hij op het tijdstip van het indienen van de aanvraag tot subsidieverlening de landbouwonderneming uitoefent met inachtneming van de geldende nationale en Europese minimumnormen op het gebied van milieu, dierenwelzijn en hygiëne, hetgeen in ieder geval omvat de geldende normen bij of krachtens de Wet milieubeheer, de Wet verontreiniging oppervlaktewater, de Meststoffenwet, de Wet bodembescherming, de Bestrijdingsmiddelenwet 1962, de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, de Diergeneesmiddelenwet en de Plantenziektewet.
c. de aanvrager een landbouwonderneming exploiteert waarvan de economische levensvatbaarheid op het tijdstip van indiening van de aanvraag tot subsidieverlening kan worden aangetoond.
2. De subsidie wordt niet verleend indien:
a. de investering is gericht op een productieverhoging waarvoor op de markt geen normale afzetmogelijkheden kunnen worden gevonden;
b. de investering erop is gericht om te voldoen aan een communautaire norm die langer dan 36 maanden op de betrokken landbouwonderneming van toepassing is;
c. door de investeringen de productie verder stijgt dan op grond van productiebeperkingen of beperkingen t.a.v. communautaire steunverlening is toegestaan;
d. de investering een stijging van de productiecapaciteit met meer dan 20% tot gevolg heeft;
e. de investering betrekking heeft op gewone vervangingsinvesteringen.
3. De aanvraag wordt geweigerd aan stichtingen en aan ondernemingen die zijn gericht op onderzoek, scholing, opleiding, voorlichting, advies of begeleiding.
a. de eigenaar, gerechtigde, pachter, directeur of bedrijfsleider van de landbouwonderneming beschikt over voldoende agrarische vakbekwaamheid, hetgeen blijkt uit: 1°. het bezit van een getuigschrift van een erkende landbouwkundige opleiding onderscheidenlijk van een opleiding van een hiermee gelijkwaardig niveau, of
2°. de omstandigheid dat hij op het moment van de aanvraag ten minste drie jaren op een landbouwonderneming werkzaam is geweest.
1°. het bezit van een getuigschrift van een erkende landbouwkundige opleiding onderscheidenlijk van een opleiding van een hiermee gelijkwaardig niveau, of
2°. de omstandigheid dat hij op het moment van de aanvraag ten minste drie jaren op een landbouwonderneming werkzaam is geweest.
b. de landbouwonderneming voldoet aan de geldende nationale en Europese minimumnormen op het gebied van milieu, hygiëne en dierenwelzijn, hetgeen betekent dat hij op het tijdstip van het indienen van de aanvraag tot subsidieverlening de landbouwonderneming uitoefent met inachtneming van de geldende nationale en Europese minimumnormen op het gebied van milieu, dierenwelzijn en hygiëne, hetgeen in ieder geval omvat de geldende normen bij of krachtens de Wet milieubeheer, de Wet verontreiniging oppervlaktewater, de Meststoffenwet, de Wet bodembescherming, de Bestrijdingsmiddelenwet 1962, de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, de Diergeneesmiddelenwet en de Plantenziektewet.
c. de aanvrager een landbouwonderneming exploiteert waarvan de economische levensvatbaarheid op het tijdstip van indiening van de aanvraag tot subsidieverlening kan worden aangetoond.
2. De subsidie wordt niet verleend indien:
a. de investering is gericht op een productieverhoging waarvoor op de markt geen normale afzetmogelijkheden kunnen worden gevonden;
b. de investering erop is gericht om te voldoen aan een communautaire norm die langer dan 36 maanden op de betrokken landbouwonderneming van toepassing is;
c. door de investeringen de productie verder stijgt dan op grond van productiebeperkingen of beperkingen t.a.v. communautaire steunverlening is toegestaan;
d. de investering een stijging van de productiecapaciteit met meer dan 20% tot gevolg heeft;
e. de investering betrekking heeft op gewone vervangingsinvesteringen.
3. De aanvraag wordt geweigerd aan stichtingen en aan ondernemingen die zijn gericht op onderzoek, scholing, opleiding, voorlichting, advies of begeleiding.