BWBR0020453
Geldig vanaf 2006-11-24
Artikel 5
Meet- en rekenvoorschrift bevoegdheden luchtkwaliteit
1. De gevolgen voor de luchtkwaliteit, bedoeld in artikel 2, eerste lid, worden op een zodanige wijze bepaald dat afwijkingen van de berekende concentraties ten opzichte van de werkelijke jaargemiddelde concentraties niet meer bedragen dan:
a. 30 procent voor stikstofdioxide bij wegen;
b. 50 procent voor zwevende deeltjes (PM10);
c. 50 procent voor benzeen, en
d. 50 procent voor lood.
2. De gevolgen voor de luchtkwaliteit worden voorts op een zodanige wijze bepaald dat afwijkingen van de berekende concentraties voor:
a. stikstofdioxide bij inrichtingen ten opzichte van de werkelijke uurgemiddelde concentraties niet meer bedragen dan 60 procent;
b. zwevende deeltjes (PM10) ten opzichte van de werkelijke vierentwintig-uurgemiddelde concentraties niet meer bedragen dan een factor twee;
c. koolmonoxide ten opzichte van de werkelijke acht-uurgemiddelde concentraties niet meer bedragen dan 50 procent, en
d. zwaveldioxide ten opzichte van de werkelijke uurgemiddelde concentraties niet meer bedragen dan 60 procent.
a. 30 procent voor stikstofdioxide bij wegen;
b. 50 procent voor zwevende deeltjes (PM10);
c. 50 procent voor benzeen, en
d. 50 procent voor lood.
2. De gevolgen voor de luchtkwaliteit worden voorts op een zodanige wijze bepaald dat afwijkingen van de berekende concentraties voor:
a. stikstofdioxide bij inrichtingen ten opzichte van de werkelijke uurgemiddelde concentraties niet meer bedragen dan 60 procent;
b. zwevende deeltjes (PM10) ten opzichte van de werkelijke vierentwintig-uurgemiddelde concentraties niet meer bedragen dan een factor twee;
c. koolmonoxide ten opzichte van de werkelijke acht-uurgemiddelde concentraties niet meer bedragen dan 50 procent, en
d. zwaveldioxide ten opzichte van de werkelijke uurgemiddelde concentraties niet meer bedragen dan 60 procent.