BWBR0020426
Geldig vanaf 2006-10-26
Artikel 3
Regeling eenmalige subsidies afkoop hoogniveaurenovatie 2006
1. Het subsidiebedrag per verbintenis van het Rijk jegens de gemeente die voortvloeit uit de RGSVH wordt overeenkomstig het tweede tot en met het vijfde lid vastgesteld.
2. Voor elk jaar van de nog resterende looptijd van de verbintenis wordt het bedrag aan geldelijke steun, dat het Rijk op grond van die verbintenis aan de gemeente verschuldigd is, contant gemaakt door middel van deling van dat bedrag door (1 + i) n. Hierbij is ‘i’ de disconteringsvoet en ‘n’ het aantal jaren vanaf de eerste vervaldatum van een bedrag aan geldelijke steun na 30 september 2006 tot aan de laatste vervaldatum.
3. De overeenkomstig het tweede lid berekende bedragen worden gesommeerd. Het resultaat wordt contant gemaakt naar 30 september 2006 door deling door (1 + i*m), waarbij ‘i’ de disconteringsvoet is en ‘m’ de periode vanaf 30 september 2006 tot aan de eerste vervaldatum van geldelijke steun, herleid tot een gedeelte van een heel jaar.
4. Het overeenkomstig het derde lid berekende bedrag wordt vermeerderd met een rente van 4,00% per jaar, te rekenen vanaf 1 oktober 2006 tot de datum waarop de eenmalige subsidie wordt uitbetaald.
5. Indien op grond van de verbintenis een jaarlijkse bijdrage aan geldelijke steun is betaald in de periode vanaf 1 oktober 2006 tot de datum waarop de beschikking tot vaststelling van de eenmalige subsidie is genomen, wordt het overeenkomstig het vierde lid berekende bedrag verminderd met die bijdrage en met een over die bijdrage berekende rente van 4,00% per jaar over de periode vanaf de datum waarop die bijdrage is betaald tot de datum waarop de eenmalige subsidie wordt uitbetaald.
2. Voor elk jaar van de nog resterende looptijd van de verbintenis wordt het bedrag aan geldelijke steun, dat het Rijk op grond van die verbintenis aan de gemeente verschuldigd is, contant gemaakt door middel van deling van dat bedrag door (1 + i) n. Hierbij is ‘i’ de disconteringsvoet en ‘n’ het aantal jaren vanaf de eerste vervaldatum van een bedrag aan geldelijke steun na 30 september 2006 tot aan de laatste vervaldatum.
3. De overeenkomstig het tweede lid berekende bedragen worden gesommeerd. Het resultaat wordt contant gemaakt naar 30 september 2006 door deling door (1 + i*m), waarbij ‘i’ de disconteringsvoet is en ‘m’ de periode vanaf 30 september 2006 tot aan de eerste vervaldatum van geldelijke steun, herleid tot een gedeelte van een heel jaar.
4. Het overeenkomstig het derde lid berekende bedrag wordt vermeerderd met een rente van 4,00% per jaar, te rekenen vanaf 1 oktober 2006 tot de datum waarop de eenmalige subsidie wordt uitbetaald.
5. Indien op grond van de verbintenis een jaarlijkse bijdrage aan geldelijke steun is betaald in de periode vanaf 1 oktober 2006 tot de datum waarop de beschikking tot vaststelling van de eenmalige subsidie is genomen, wordt het overeenkomstig het vierde lid berekende bedrag verminderd met die bijdrage en met een over die bijdrage berekende rente van 4,00% per jaar over de periode vanaf de datum waarop die bijdrage is betaald tot de datum waarop de eenmalige subsidie wordt uitbetaald.