BWBR0020376
Geldig vanaf 2006-10-04
Artikel 2
Regeling EG-verklaring rechterlijke beroepen
1. Een aanvraag tot het verkrijgen van een EG-verklaring voor een rechterlijk beroep wordt ingediend bij de Minister. De aanvraag bevat een aanduiding van het rechterlijk beroep waarvoor de EG-verklaring wordt aangevraagd.
2. De aanvrager legt ten minste de volgende bescheiden over:
a. het origineel of een gewaarmerkte kopie van de bewijsstukken met betrekking tot de door de aanvrager in de andere Lid-Staat of een derde land met goed gevolg afgesloten opleiding in het recht;
b. het origineel of een gewaarmerkte kopie van de lijst van vakken, afgegeven door de instelling waar de opleiding, bedoeld in onderdeel a, is gevolgd, alsmede, indien deze is verstrekt, een cijferlijst van de vakken waarin de aanvrager tijdens deze opleiding examen heeft afgelegd;
c. bewijsstukken met betrekking tot de eventueel door de aanvrager verworven beroepservaring;
d. eventuele bescheiden met betrekking tot het in de andere Lid-Staat als gelijkwaardig erkend zijn of aangemerkt zijn van de door de aanvrager gevolgde opleiding, bedoeld in onderdeel a, met een hoger-onderwijsopleiding in het recht;
e. een uittreksel uit het bevolkingsregister waaruit de Nederlandse nationaliteit van de aanvrager blijkt.
3. Desgevraagd verschaft de aanvrager de Minister nadere informatie naar aanleiding van de door de aanvrager overgelegde bescheiden.
2. De aanvrager legt ten minste de volgende bescheiden over:
a. het origineel of een gewaarmerkte kopie van de bewijsstukken met betrekking tot de door de aanvrager in de andere Lid-Staat of een derde land met goed gevolg afgesloten opleiding in het recht;
b. het origineel of een gewaarmerkte kopie van de lijst van vakken, afgegeven door de instelling waar de opleiding, bedoeld in onderdeel a, is gevolgd, alsmede, indien deze is verstrekt, een cijferlijst van de vakken waarin de aanvrager tijdens deze opleiding examen heeft afgelegd;
c. bewijsstukken met betrekking tot de eventueel door de aanvrager verworven beroepservaring;
d. eventuele bescheiden met betrekking tot het in de andere Lid-Staat als gelijkwaardig erkend zijn of aangemerkt zijn van de door de aanvrager gevolgde opleiding, bedoeld in onderdeel a, met een hoger-onderwijsopleiding in het recht;
e. een uittreksel uit het bevolkingsregister waaruit de Nederlandse nationaliteit van de aanvrager blijkt.
3. Desgevraagd verschaft de aanvrager de Minister nadere informatie naar aanleiding van de door de aanvrager overgelegde bescheiden.