BWBR0020124
Geldig vanaf 2006-07-30
Artikel 2
Subsidieregeling Libertas Noodfonds
1. De minister kan projectsubsidie verstrekken aan studenten uit de gehele wereld met een niet-Nederlandse vooropleiding voor het volgen van een opleiding.
2. Subsidie wordt slechts verstrekt voor zover:
a. de student: 1°. afkomstig is uit een land waar naar het oordeel van de minister voor bepaalde studenten studeren vanwege politieke redenen praktisch onmogelijk is geworden;
2°. aannemelijk kan maken direct voorafgaande aan zijn komst naar Nederland gestudeerd te hebben aan een instituut dat hoger onderwijs verzorgt in het land van herkomst;
3°. aannemelijk kan maken dat het volgen van verder hoger onderwijs in het land van herkomst voor hem praktisch onmogelijk is geworden, dan wel dat de student in de voortgang van de studie zeer ernstig wordt belemmerd;
1°. afkomstig is uit een land waar naar het oordeel van de minister voor bepaalde studenten studeren vanwege politieke redenen praktisch onmogelijk is geworden;
2°. aannemelijk kan maken direct voorafgaande aan zijn komst naar Nederland gestudeerd te hebben aan een instituut dat hoger onderwijs verzorgt in het land van herkomst;
3°. aannemelijk kan maken dat het volgen van verder hoger onderwijs in het land van herkomst voor hem praktisch onmogelijk is geworden, dan wel dat de student in de voortgang van de studie zeer ernstig wordt belemmerd;
b. de ontvangende Nederlandse instelling: 1°. de inschrijving van de student accepteert;
2°. het juridisch laagst mogelijke collegegeld in rekening brengt aan de student;
3°. de gedragscode heeft ondertekend en voorkomt in het openbaar register van onderwijsinstellingen die de gedragscode hebben ondertekend; en
1°. de inschrijving van de student accepteert;
2°. het juridisch laagst mogelijke collegegeld in rekening brengt aan de student;
3°. de gedragscode heeft ondertekend en voorkomt in het openbaar register van onderwijsinstellingen die de gedragscode hebben ondertekend; en
c. de ontvangende Nederlandse instelling zorgdraagt of garant staat voor huisvesting indien de student hier niet zelf voor heeft gezorgd.
3. Verstrekking van subsidie geschiedt onder de voorwaarde dat:
a. de kwaliteit van de opleiding aan de ontvangende Nederlandse instelling eerder op basis van artikel 1.18 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek is vastgesteld, voor zover het een opleiding betreft die op grond van overgangsrecht is geaccrediteerd; en
b. de student een verblijfsvergunning verkrijgt.
4. Verstrekking van subsidie geschiedt steeds voor de duur van één studiejaar. Een aanvrager kan meermalen subsidie aanvragen, binnen de volgende voorwaarden:
a. voor een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs wordt maximaal vier maal subsidie verstrekt;
b. voor een bacheloropleiding in het hoger beroepsonderwijs wordt maximaal vijf maal subsidie verstrekt;
c. voor een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs wordt maximaal twee maal subsidie verstrekt, met dien verstande dat maximaal drie maal subsidie wordt verstrekt, indien de studielast van de opleiding 120 studiepunten bedraagt;
d. voor een masteropleiding in het hoger beroepsonderwijs wordt maximaal twee maal subsidie vertrekt; en
e. een aanvrager kan voor één bachelor- en één masteropleiding subsidie aanvragen.
5. De voorwaarden, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, zijn niet van toepassing op de aanvraag voor subsidie van een student aan wie op grond van deze regeling en met inachtneming van de voorwaarden, bedoeld in het vierde lid, reeds subsidie is verstrekt.
6. Deze regeling is niet van toepassing op studenten die voor studiefinanciering in aanmerking komen op grond van de Wet studiefinanciering 2000.
2. Subsidie wordt slechts verstrekt voor zover:
a. de student: 1°. afkomstig is uit een land waar naar het oordeel van de minister voor bepaalde studenten studeren vanwege politieke redenen praktisch onmogelijk is geworden;
2°. aannemelijk kan maken direct voorafgaande aan zijn komst naar Nederland gestudeerd te hebben aan een instituut dat hoger onderwijs verzorgt in het land van herkomst;
3°. aannemelijk kan maken dat het volgen van verder hoger onderwijs in het land van herkomst voor hem praktisch onmogelijk is geworden, dan wel dat de student in de voortgang van de studie zeer ernstig wordt belemmerd;
1°. afkomstig is uit een land waar naar het oordeel van de minister voor bepaalde studenten studeren vanwege politieke redenen praktisch onmogelijk is geworden;
2°. aannemelijk kan maken direct voorafgaande aan zijn komst naar Nederland gestudeerd te hebben aan een instituut dat hoger onderwijs verzorgt in het land van herkomst;
3°. aannemelijk kan maken dat het volgen van verder hoger onderwijs in het land van herkomst voor hem praktisch onmogelijk is geworden, dan wel dat de student in de voortgang van de studie zeer ernstig wordt belemmerd;
b. de ontvangende Nederlandse instelling: 1°. de inschrijving van de student accepteert;
2°. het juridisch laagst mogelijke collegegeld in rekening brengt aan de student;
3°. de gedragscode heeft ondertekend en voorkomt in het openbaar register van onderwijsinstellingen die de gedragscode hebben ondertekend; en
1°. de inschrijving van de student accepteert;
2°. het juridisch laagst mogelijke collegegeld in rekening brengt aan de student;
3°. de gedragscode heeft ondertekend en voorkomt in het openbaar register van onderwijsinstellingen die de gedragscode hebben ondertekend; en
c. de ontvangende Nederlandse instelling zorgdraagt of garant staat voor huisvesting indien de student hier niet zelf voor heeft gezorgd.
3. Verstrekking van subsidie geschiedt onder de voorwaarde dat:
a. de kwaliteit van de opleiding aan de ontvangende Nederlandse instelling eerder op basis van artikel 1.18 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek is vastgesteld, voor zover het een opleiding betreft die op grond van overgangsrecht is geaccrediteerd; en
b. de student een verblijfsvergunning verkrijgt.
4. Verstrekking van subsidie geschiedt steeds voor de duur van één studiejaar. Een aanvrager kan meermalen subsidie aanvragen, binnen de volgende voorwaarden:
a. voor een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs wordt maximaal vier maal subsidie verstrekt;
b. voor een bacheloropleiding in het hoger beroepsonderwijs wordt maximaal vijf maal subsidie verstrekt;
c. voor een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs wordt maximaal twee maal subsidie verstrekt, met dien verstande dat maximaal drie maal subsidie wordt verstrekt, indien de studielast van de opleiding 120 studiepunten bedraagt;
d. voor een masteropleiding in het hoger beroepsonderwijs wordt maximaal twee maal subsidie vertrekt; en
e. een aanvrager kan voor één bachelor- en één masteropleiding subsidie aanvragen.
5. De voorwaarden, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, zijn niet van toepassing op de aanvraag voor subsidie van een student aan wie op grond van deze regeling en met inachtneming van de voorwaarden, bedoeld in het vierde lid, reeds subsidie is verstrekt.
6. Deze regeling is niet van toepassing op studenten die voor studiefinanciering in aanmerking komen op grond van de Wet studiefinanciering 2000.