BWBR0020025
Geldig vanaf 2006-07-16
Artikel 4
Regeling overlopende personeelskosten scholen voor praktijkonderwijs met declaratiebekostiging 2006
1. De minister stelt aan de hand van gegevens uit het CASO-systeem de hoogte vast van de aan het bevoegd gezag te vergoeden kosten in verband met:
a. de vakantieaanspraken over de maanden juni en juli 2006;
b. de eindejaarsuitkering opgebouwd in de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 juli 2006;
c. de eenmalige uitkering in oktober 2006 van € 200,– nominaal (bruto) bij een normbetrekking opgebouwd in de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 juli 2006.
2. De personeelskosten als bedoeld in het eerste lid worden vastgesteld op 12 oktober 2006 op grond van gegevens uit het CASO-systeem naar de situatie op 31 juli 2006.
3. Het bevoegd gezag van de school ontvangt in november 2006 een beschikking.
4. De personeelskosten als bedoeld in het eerste lid worden vóór 1 december 2006 aan het bevoegd gezag uitbetaald en worden door het bevoegd gezag opgenomen in de Aanvraag rijksvergoeding over de periode 1 januari 2006 tot en met 31 juli 2006.
a. de vakantieaanspraken over de maanden juni en juli 2006;
b. de eindejaarsuitkering opgebouwd in de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 juli 2006;
c. de eenmalige uitkering in oktober 2006 van € 200,– nominaal (bruto) bij een normbetrekking opgebouwd in de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 juli 2006.
2. De personeelskosten als bedoeld in het eerste lid worden vastgesteld op 12 oktober 2006 op grond van gegevens uit het CASO-systeem naar de situatie op 31 juli 2006.
3. Het bevoegd gezag van de school ontvangt in november 2006 een beschikking.
4. De personeelskosten als bedoeld in het eerste lid worden vóór 1 december 2006 aan het bevoegd gezag uitbetaald en worden door het bevoegd gezag opgenomen in de Aanvraag rijksvergoeding over de periode 1 januari 2006 tot en met 31 juli 2006.