BWBR0019949
Geldig vanaf 2006-06-28
Artikel 3
Regeling inburgering allochtone vrouwen niet-G31
1. Indien een gemeente of een samenwerkingsverband in aanmerking wenst te komen voor verlening van een bijdrage dient het college of het bestuur binnen drie weken na inwerkingtreding van deze regeling een aanvraag in, onder gebruikmaking van het in bijlage 1opgenomen formulier. De aanvraag gaat in ieder geval vergezeld van de prognose, welke ten minste 5 bedraagt.
2. De Minister beoordeelt alle ingediende aanvragen en prognoses gezamenlijk en verleent per aanvraag een voorschot op de bijdrage aan de hand van het bepaalde in het derde en vierde lid.
3. Indien het budget, bedoeld in artikel 2, tweede lid, toereikend is om alle ingediende prognoses te honoreren, is de hoogte van het voorschot gelijk aan:
a. € 4235 vermenigvuldigd met het deel van de prognose dat betrekking heeft op het aantal allochtone vrouwen, behorend tot de categorie ‘uitkeringsgerechtigd’, en:
b. € 6180 vermenigvuldigd met het deel van de prognose dat betrekking heeft op het aantal allochtone vrouwen, behorend tot de categorie ‘niet-werkend en niet-uitkeringsgerechtigd’.
4. Indien het budget, bedoeld in artikel 2, tweede lid, niet toereikend is om alle ingediende prognoses te honoreren, bepaalt de Minister het relatieve aandeel van de ingediende prognose in het totaal van de prognoses, aan de hand waarvan de Minister vervolgens de ingediende prognose neerwaarts bijstelt, waarbij de neerwaarts bijgestelde prognose echter niet lager zal zijn dan 5. De hoogte van het voorschot wordt in dit geval vastgesteld aan de hand van de bedragen, genoemd in het derde lid, vermenigvuldigd met de neerwaarts bijgestelde prognose.
5. De beschikking tot verlening van het voorschot wordt binnen tien weken na inwerkingtreding van deze regeling aan het college of het bestuur bekendgemaakt.
2. De Minister beoordeelt alle ingediende aanvragen en prognoses gezamenlijk en verleent per aanvraag een voorschot op de bijdrage aan de hand van het bepaalde in het derde en vierde lid.
3. Indien het budget, bedoeld in artikel 2, tweede lid, toereikend is om alle ingediende prognoses te honoreren, is de hoogte van het voorschot gelijk aan:
a. € 4235 vermenigvuldigd met het deel van de prognose dat betrekking heeft op het aantal allochtone vrouwen, behorend tot de categorie ‘uitkeringsgerechtigd’, en:
b. € 6180 vermenigvuldigd met het deel van de prognose dat betrekking heeft op het aantal allochtone vrouwen, behorend tot de categorie ‘niet-werkend en niet-uitkeringsgerechtigd’.
4. Indien het budget, bedoeld in artikel 2, tweede lid, niet toereikend is om alle ingediende prognoses te honoreren, bepaalt de Minister het relatieve aandeel van de ingediende prognose in het totaal van de prognoses, aan de hand waarvan de Minister vervolgens de ingediende prognose neerwaarts bijstelt, waarbij de neerwaarts bijgestelde prognose echter niet lager zal zijn dan 5. De hoogte van het voorschot wordt in dit geval vastgesteld aan de hand van de bedragen, genoemd in het derde lid, vermenigvuldigd met de neerwaarts bijgestelde prognose.
5. De beschikking tot verlening van het voorschot wordt binnen tien weken na inwerkingtreding van deze regeling aan het college of het bestuur bekendgemaakt.