BWBR0019606
Geldig vanaf 2006-03-05
Artikel 2
Regeling mandaat en machtiging vergunningen, ontheffingen en goedkeuringen Kernenergiewet 2005
1. Aan de Minister wordt mandaat verleend om mede namens de andere betrokken bewindspersonen te beslissen op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 15, onder a, van de wet, voor het vervoeren, voorhanden hebben anders dan bij opslag in verband met het vervoer, binnen of buiten Nederlands grondgebied brengen of doen brengen, dan wel zich ontdoen van splijtstoffen en ertsen.
2. Aan de Minister wordt mandaat verleend om mede namens de andere betrokken bewindspersonen te beslissen op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wetvoor het wijzigen van een inrichting, waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt, splijtstoffen kunnen worden vervaardigd, bewerkt of verwerkt, dan wel splijtstoffen worden opgeslagen.
3. Aan de Minister wordt mandaat verleend om mede namens de andere betrokken bewindspersonen de schriftelijke verklaring op de melding af te geven als bedoeld in artikel 18 van de wetjuncto artikel 18.9, tweede lid, onder c, van de Wet milieubeheer, voor veranderingen van de inrichting of van de werking daarvan die niet in overeenstemming zijn met de voor de inrichting verleende vergunning of de daaraan verbonden beperkingen of voorschriften, maar die niet leiden tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan die de inrichting ingevolge de vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften mag veroorzaken.
2. Aan de Minister wordt mandaat verleend om mede namens de andere betrokken bewindspersonen te beslissen op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wetvoor het wijzigen van een inrichting, waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt, splijtstoffen kunnen worden vervaardigd, bewerkt of verwerkt, dan wel splijtstoffen worden opgeslagen.
3. Aan de Minister wordt mandaat verleend om mede namens de andere betrokken bewindspersonen de schriftelijke verklaring op de melding af te geven als bedoeld in artikel 18 van de wetjuncto artikel 18.9, tweede lid, onder c, van de Wet milieubeheer, voor veranderingen van de inrichting of van de werking daarvan die niet in overeenstemming zijn met de voor de inrichting verleende vergunning of de daaraan verbonden beperkingen of voorschriften, maar die niet leiden tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan die de inrichting ingevolge de vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften mag veroorzaken.