BWBR0019584
Geldig vanaf 2006-02-23
Artikel 4
Regeling eenmalige uitkering spoorse doorsnijdingen
1. De uitkering bedraagt ten hoogste 25% van de totale kosten van een project met dien verstande dat in de beschikking tot verlening van de uitkering het bedrag staat vermeld waarop de uitkering ten hoogste kan worden vastgesteld.
2. Het in het eerste lid genoemde bedrag kan niet meer bedragen dan € 40 miljoen per project.
3. Tot de kosten, bedoeld in het eerste lid, behoren de kosten van:
a. studies voor zover die door de minister aanvaardbaar worden geacht;
b. verwerving van een onroerende zaak voor zover die door de minister aanvaardbaar wordt geacht;
c. vergunningen en leges voorzover door de minister aanvaardbaar geacht;
d. bouwrente; deze is gelijk aan de rente van de meest recente staatslening op het moment van gunning van het werk; het bedrag en de termijn waarover de bouwrente vergoed wordt, behoeft de goedkeuring van de minister;
e. materialen;
f. werkzaamheden van aanleg, bouw, wijziging of inrichting van de betrokken infrastructuur;
g. bijkomende voorzieningen nodig om de betrokken infrastructuur na voltooiing zijn functie te kunnen laten vervullen;
h. met het project samenhangende door de minister redelijk geachte schadevergoedingen aan derden;
i. voorlichting over de uitvoering van het project als begeleiding gedurende de bouw;
j. de omzetbelasting die niet op voet van artikel 15, eerste lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968, in aftrek kan worden gebracht en geen recht geeft op een bijdrage uit het BTW-compensatiefonds, waarbij de toepassing van artikel 2, tiende lid, van de Wet op het BTW-compensatiefonds, buiten aanmerking blijft;
k. de voorbereiding, administratie en toezicht voor zover gerelateerd aan het project. Het percentage is afhankelijk van de hoogte van de bouwkosten: I. Projecten met bouwsom van meer dan € 100 miljoen tot een maximum van 13,75%;
II. Projecten met bouwsom tussen de € 10 en € 100 miljoen tot een maximum van 17%;
III. Projecten met bouwsom kleiner dan € 10 miljoen tot een maximum van 24%.
I. Projecten met bouwsom van meer dan € 100 miljoen tot een maximum van 13,75%;
II. Projecten met bouwsom tussen de € 10 en € 100 miljoen tot een maximum van 17%;
III. Projecten met bouwsom kleiner dan € 10 miljoen tot een maximum van 24%.
l. onvoorziene omstandigheden voorzover deze betrekking hebben op de kosten veroorzakende factoren genoemd in de onderdelen a tot en met i, waarbij een maximum geldt van 10%.
4. Tot de kosten, bedoeld in het eerste lid, behoren niet:
a. kosten van algemene bestuurlijke aard;
b. de kosten die reeds op grond van een andere regeling voor een financiële bijdrage van het Rijk of de Europese Unie in aanmerking komen;
c. de kosten gemaakt in verband met het verkrijgen van een accountantsverklaring.
5. Indien voor de uitvoering van het project door het Rijk uit andere hoofde bijdragen worden verleend, wordt de uitkering op grond van deze regeling zodanig verlaagd dat de totale bijdrage van het Rijk niet meer dan 50% van de totale kosten bedraagt.
2. Het in het eerste lid genoemde bedrag kan niet meer bedragen dan € 40 miljoen per project.
3. Tot de kosten, bedoeld in het eerste lid, behoren de kosten van:
a. studies voor zover die door de minister aanvaardbaar worden geacht;
b. verwerving van een onroerende zaak voor zover die door de minister aanvaardbaar wordt geacht;
c. vergunningen en leges voorzover door de minister aanvaardbaar geacht;
d. bouwrente; deze is gelijk aan de rente van de meest recente staatslening op het moment van gunning van het werk; het bedrag en de termijn waarover de bouwrente vergoed wordt, behoeft de goedkeuring van de minister;
e. materialen;
f. werkzaamheden van aanleg, bouw, wijziging of inrichting van de betrokken infrastructuur;
g. bijkomende voorzieningen nodig om de betrokken infrastructuur na voltooiing zijn functie te kunnen laten vervullen;
h. met het project samenhangende door de minister redelijk geachte schadevergoedingen aan derden;
i. voorlichting over de uitvoering van het project als begeleiding gedurende de bouw;
j. de omzetbelasting die niet op voet van artikel 15, eerste lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968, in aftrek kan worden gebracht en geen recht geeft op een bijdrage uit het BTW-compensatiefonds, waarbij de toepassing van artikel 2, tiende lid, van de Wet op het BTW-compensatiefonds, buiten aanmerking blijft;
k. de voorbereiding, administratie en toezicht voor zover gerelateerd aan het project. Het percentage is afhankelijk van de hoogte van de bouwkosten: I. Projecten met bouwsom van meer dan € 100 miljoen tot een maximum van 13,75%;
II. Projecten met bouwsom tussen de € 10 en € 100 miljoen tot een maximum van 17%;
III. Projecten met bouwsom kleiner dan € 10 miljoen tot een maximum van 24%.
I. Projecten met bouwsom van meer dan € 100 miljoen tot een maximum van 13,75%;
II. Projecten met bouwsom tussen de € 10 en € 100 miljoen tot een maximum van 17%;
III. Projecten met bouwsom kleiner dan € 10 miljoen tot een maximum van 24%.
l. onvoorziene omstandigheden voorzover deze betrekking hebben op de kosten veroorzakende factoren genoemd in de onderdelen a tot en met i, waarbij een maximum geldt van 10%.
4. Tot de kosten, bedoeld in het eerste lid, behoren niet:
a. kosten van algemene bestuurlijke aard;
b. de kosten die reeds op grond van een andere regeling voor een financiële bijdrage van het Rijk of de Europese Unie in aanmerking komen;
c. de kosten gemaakt in verband met het verkrijgen van een accountantsverklaring.
5. Indien voor de uitvoering van het project door het Rijk uit andere hoofde bijdragen worden verleend, wordt de uitkering op grond van deze regeling zodanig verlaagd dat de totale bijdrage van het Rijk niet meer dan 50% van de totale kosten bedraagt.