BWBR0019575
Geldig vanaf 2019-12-14
Artikel 15
Regeling erkenning en aanwijzing veterinaire laboratoria
1. Het laboratorium verleent medewerking aan periodieke monitoring, uitgevoerd door het Nationaal Referentie Laboratorium.
2. De in het eerste lid bedoelde monitoring bestaat in ieder geval per erkenning uit:
a. ten minste 2 ringtesten per jaar, dan wel ten minste 1 ringtest per jaar indien het laboratorium de ringtesten in de voorgaande 3 jaren steeds met goed gevolg heeft afgelegd en effectieve monitoring door het bevoegde Nationaal Referentie Laboratorium gewaarborgd blijft;
b. een controle inzake de nauwkeurigheid van de testmethode en de betrouwbaarheid van testuitslagen.
3. In aanvulling op het tweede lid bestaat de in het eerste lid bedoelde monitoring uit:
a. ten minste één keer per jaar een audit voor een testmethode als bedoeld in bijlage 1, onder 1 tot en met 3, 6, 8 tot en met 11, 13, 15 tot en met 17, 21 tot en met 24 en bijlage 2, onder 1, 2, 5, 7, 9 tot en met 11, 16 tot en met 21 en 23;
b. het uitvoeren van controletesten op monsters met een negatieve testuitslag, die zijn onderzocht met een testmethode als bedoeld in bijlage 1, onder 2, 3, 8, 13, 15 en 21 tot en met 24 en bijlage 2, onder 1, 2, 7, 9 tot en met 11, 16 tot en met 21 en 23.
4. Indien een laboratorium beschikt over meer dan één erkenning, worden de audits, bedoeld in het derde lid, onder a, gecombineerd uitgevoerd.
5. Het laboratorium dat is erkend voor een testmethode als bedoeld in bijlage 1, onder 2, 3, 8, 13, 15 en 21 tot en met 24 en bijlage 2, onder 1, 2, 7, 9 tot en met 11, 16 tot en met 21 en 23, zendt jaarlijks 10% van de onderzochte monsters met een negatieve testuitslag, tot een maximum van 250 monsters per testmethode, aan het bevoegde Nationaal Referentie Laboratorium, tenzij het door het bevoegde Nationaal Referentie Laboratorium in kennis is gesteld van het feit dat in het betrokken kalenderjaar reeds 250 of meer monsters, onderzocht met de desbetreffende testmethode, zijn ontvangen.
2. De in het eerste lid bedoelde monitoring bestaat in ieder geval per erkenning uit:
a. ten minste 2 ringtesten per jaar, dan wel ten minste 1 ringtest per jaar indien het laboratorium de ringtesten in de voorgaande 3 jaren steeds met goed gevolg heeft afgelegd en effectieve monitoring door het bevoegde Nationaal Referentie Laboratorium gewaarborgd blijft;
b. een controle inzake de nauwkeurigheid van de testmethode en de betrouwbaarheid van testuitslagen.
3. In aanvulling op het tweede lid bestaat de in het eerste lid bedoelde monitoring uit:
a. ten minste één keer per jaar een audit voor een testmethode als bedoeld in bijlage 1, onder 1 tot en met 3, 6, 8 tot en met 11, 13, 15 tot en met 17, 21 tot en met 24 en bijlage 2, onder 1, 2, 5, 7, 9 tot en met 11, 16 tot en met 21 en 23;
b. het uitvoeren van controletesten op monsters met een negatieve testuitslag, die zijn onderzocht met een testmethode als bedoeld in bijlage 1, onder 2, 3, 8, 13, 15 en 21 tot en met 24 en bijlage 2, onder 1, 2, 7, 9 tot en met 11, 16 tot en met 21 en 23.
4. Indien een laboratorium beschikt over meer dan één erkenning, worden de audits, bedoeld in het derde lid, onder a, gecombineerd uitgevoerd.
5. Het laboratorium dat is erkend voor een testmethode als bedoeld in bijlage 1, onder 2, 3, 8, 13, 15 en 21 tot en met 24 en bijlage 2, onder 1, 2, 7, 9 tot en met 11, 16 tot en met 21 en 23, zendt jaarlijks 10% van de onderzochte monsters met een negatieve testuitslag, tot een maximum van 250 monsters per testmethode, aan het bevoegde Nationaal Referentie Laboratorium, tenzij het door het bevoegde Nationaal Referentie Laboratorium in kennis is gesteld van het feit dat in het betrokken kalenderjaar reeds 250 of meer monsters, onderzocht met de desbetreffende testmethode, zijn ontvangen.