BWBR0019516
Geldig vanaf 2006-05-25
Artikel 8
Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels
1. Het is verboden een tunnel voor het verkeer open te stellen zonder daartoe strekkende vergunning van het bevoegd college van burgemeester en wethouders.
2. Bij ministeriële regeling wordt bepaald welke gegevens en bescheiden bij een aanvraag om vergunning, bedoeld in het eerste lid, verstrekt, onderscheidenlijk overgelegd, worden.
3. Aan de vergunning, bedoeld in het eerste lid, worden geen voorschriften verbonden. Zij wordt niet onder beperkingen verleend.
4. In afwijking van het derde lid, kan de vergunning, bedoeld in het eerste lid, worden verleend onder de voorwaarde dat onvolkomenheden in de uitvoering van de gekozen gestandaardiseerde uitrusting, bedoeld in artikel 6b, vierde lid, of in de uitvoering van de gekozen voorzieningen op grond van artikel 6b, derde lid, binnen een door het bevoegd gezag te bepalen termijn zijn hersteld, mits de tunnel ondanks de onvolkomenheden voldoet aan de in artikel 6, eerste lid, genoemde norm.
5. De vergunning, bedoeld in het eerste lid, wordt geweigerd indien:
a. de uitrusting van de tunnel niet is uitgevoerd overeenkomstig de krachtens artikel 6b, vierde lid, gekozen gestandaardiseerde uitrusting of niet is uitgevoerd volgens de uitrusting die is gekozen op grond van artikel 6b, derde lid;
b. de tunnel niet voldoet aan het overige bepaalde bij of krachtens deze wet, of
c. de tunnel niet voldoet aan het bepaalde ten aanzien van de veiligheid van tunnels bij of krachtens de Omgevingswet.
6. <a href="/wet/BWBR0005537" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht</a>en <a href="/wet/BWBR0037885/artikel/16.87" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 16.87 van de Omgevingswet</a>zijn van toepassing op een vergunning als bedoeld in het eerste lid voor een tunnel die onderdeel uitmaakt van een projectbesluit als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0037885" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">afdeling 5.2 van de Omgevingswet</a>.
2. Bij ministeriële regeling wordt bepaald welke gegevens en bescheiden bij een aanvraag om vergunning, bedoeld in het eerste lid, verstrekt, onderscheidenlijk overgelegd, worden.
3. Aan de vergunning, bedoeld in het eerste lid, worden geen voorschriften verbonden. Zij wordt niet onder beperkingen verleend.
4. In afwijking van het derde lid, kan de vergunning, bedoeld in het eerste lid, worden verleend onder de voorwaarde dat onvolkomenheden in de uitvoering van de gekozen gestandaardiseerde uitrusting, bedoeld in artikel 6b, vierde lid, of in de uitvoering van de gekozen voorzieningen op grond van artikel 6b, derde lid, binnen een door het bevoegd gezag te bepalen termijn zijn hersteld, mits de tunnel ondanks de onvolkomenheden voldoet aan de in artikel 6, eerste lid, genoemde norm.
5. De vergunning, bedoeld in het eerste lid, wordt geweigerd indien:
a. de uitrusting van de tunnel niet is uitgevoerd overeenkomstig de krachtens artikel 6b, vierde lid, gekozen gestandaardiseerde uitrusting of niet is uitgevoerd volgens de uitrusting die is gekozen op grond van artikel 6b, derde lid;
b. de tunnel niet voldoet aan het overige bepaalde bij of krachtens deze wet, of
c. de tunnel niet voldoet aan het bepaalde ten aanzien van de veiligheid van tunnels bij of krachtens de Omgevingswet.
6. <a href="/wet/BWBR0005537" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht</a>en <a href="/wet/BWBR0037885/artikel/16.87" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 16.87 van de Omgevingswet</a>zijn van toepassing op een vergunning als bedoeld in het eerste lid voor een tunnel die onderdeel uitmaakt van een projectbesluit als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0037885" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">afdeling 5.2 van de Omgevingswet</a>.