BWBR0019467
Geldig vanaf 2006-05-24
Artikel IV
Wijzigingsbesluit Besluit RVC’s, regionaal zorgbudget en praktijkscholen met declaratiebekostiging, enz. (overgang lumpsumbekostiging)
1. Onze Minister kent aan het bevoegd gezag van een school voor praktijkonderwijs als bedoeld in artikel 9 van het Besluit RVC’s, regionaal zorgbudget en praktijkscholen, zoals dit luidde op 31 juli 2006, een aanvullende bekostiging toe, voor zover daarop aanspraak bestaat op grond van het tweede tot en met zevende lid.
2. Om vast te stellen of aanspraak bestaat op aanvullende bekostiging wordt volgens bij ministeriële regeling te stellen regels voor elke in het eerste lid bedoelde school:
a. op grond van de bekostigingsvoorschriften die golden op 31 juli 2006 een bedrag berekend voor de bekostiging voor het schooljaar 2004/2005, en
b. op grond van de bekostigingsvoorschriften die gelden met ingang van 1 augustus 2006 een bedrag berekend voor de bekostiging voor dat schooljaar.
3. De bedragen, bedoeld in het tweede lid, onderdelen a en b, worden berekend op de grondslag van het aantal leerlingen van de school op 1 oktober 2003 en met inachtneming van het prijspeil 2004/2005.
4. Indien het bedrag, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, lager is dan het bedrag, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, drukt Onze Minister dit verschil uit in een percentage van het bedrag, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a.
5. De aanvullende bekostiging bedraagt voor de periode:
a. van 1 augustus 2006 tot en met 31 juli 2007: het verschil tussen het bedrag, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, en het bedrag, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, indien het eerste bedrag lager is dan het tweede,
b. van 1 augustus 2007 tot en met 31 juli 2008: indien het percentage, bedoeld in het vierde lid, groter is dan 2, het eerstbedoelde percentage, verminderd met 2 en de uitkomst hiervan vermenigvuldigd met het bedrag, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a,
c. van 1 augustus 2008 tot en met 31 juli 2009: indien het percentage, bedoeld in het vierde lid, groter is dan 4, het eerstbedoelde percentage, verminderd met 4 en de uitkomst hiervan vermenigvuldigd met het bedrag bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, en
d. van 1 augustus 2009 tot en met 31 juli 2010: indien het percentage, bedoeld in het vierde lid, groter is dan 6, het eerstbedoelde percentage, verminderd met 6 en de uitkomst hiervan vermenigvuldigd met het bedrag, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a.
6. Bij ministeriële regeling:
a. wordt de uiterste datum vastgesteld waarvoor Onze Minister de aanvullende bekostiging vaststelt, en
b. wordt een betaalritme vastgesteld voor de betaling van de aanvullende bekostiging.
7. Indien een bevoegd gezag meer scholen als bedoeld in het eerste lid in stand houdt, worden de bedragen die voor elk van deze scholen zijn berekend op grond van het tweede lid, onderdeel a, respectievelijk het tweede lid, onderdeel b, bij elkaar opgeteld, en zijn het vierde, vijfde en zesde lid daarop van overeenkomstige toepassing.
8. Bij ministeriële regeling kunnen, zonodig in afwijking van dit artikel, voorzieningen worden getroffen ten behoeve van een goede invoering van dit artikel, voor zover deze voorzieningen betrekking hebben op een periode van ten hoogste drie jaar na 1 augustus 2006.
2. Om vast te stellen of aanspraak bestaat op aanvullende bekostiging wordt volgens bij ministeriële regeling te stellen regels voor elke in het eerste lid bedoelde school:
a. op grond van de bekostigingsvoorschriften die golden op 31 juli 2006 een bedrag berekend voor de bekostiging voor het schooljaar 2004/2005, en
b. op grond van de bekostigingsvoorschriften die gelden met ingang van 1 augustus 2006 een bedrag berekend voor de bekostiging voor dat schooljaar.
3. De bedragen, bedoeld in het tweede lid, onderdelen a en b, worden berekend op de grondslag van het aantal leerlingen van de school op 1 oktober 2003 en met inachtneming van het prijspeil 2004/2005.
4. Indien het bedrag, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, lager is dan het bedrag, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, drukt Onze Minister dit verschil uit in een percentage van het bedrag, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a.
5. De aanvullende bekostiging bedraagt voor de periode:
a. van 1 augustus 2006 tot en met 31 juli 2007: het verschil tussen het bedrag, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, en het bedrag, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, indien het eerste bedrag lager is dan het tweede,
b. van 1 augustus 2007 tot en met 31 juli 2008: indien het percentage, bedoeld in het vierde lid, groter is dan 2, het eerstbedoelde percentage, verminderd met 2 en de uitkomst hiervan vermenigvuldigd met het bedrag, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a,
c. van 1 augustus 2008 tot en met 31 juli 2009: indien het percentage, bedoeld in het vierde lid, groter is dan 4, het eerstbedoelde percentage, verminderd met 4 en de uitkomst hiervan vermenigvuldigd met het bedrag bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, en
d. van 1 augustus 2009 tot en met 31 juli 2010: indien het percentage, bedoeld in het vierde lid, groter is dan 6, het eerstbedoelde percentage, verminderd met 6 en de uitkomst hiervan vermenigvuldigd met het bedrag, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a.
6. Bij ministeriële regeling:
a. wordt de uiterste datum vastgesteld waarvoor Onze Minister de aanvullende bekostiging vaststelt, en
b. wordt een betaalritme vastgesteld voor de betaling van de aanvullende bekostiging.
7. Indien een bevoegd gezag meer scholen als bedoeld in het eerste lid in stand houdt, worden de bedragen die voor elk van deze scholen zijn berekend op grond van het tweede lid, onderdeel a, respectievelijk het tweede lid, onderdeel b, bij elkaar opgeteld, en zijn het vierde, vijfde en zesde lid daarop van overeenkomstige toepassing.
8. Bij ministeriële regeling kunnen, zonodig in afwijking van dit artikel, voorzieningen worden getroffen ten behoeve van een goede invoering van dit artikel, voor zover deze voorzieningen betrekking hebben op een periode van ten hoogste drie jaar na 1 augustus 2006.