BWBR0019318
Geldig vanaf 2006-01-01
Artikel 4
Organisatieregeling CFI 2005
1. De portefeuillehouder en HD.CFI ondertekenen het prestatiecontract. De portefeuillehouder is bevoegd tot het verlenen van aanvullende opdrachten aan CFI.
2. De HD.CFI richt de bedrijfsvoering met inachtneming van deze regeling, naar eigen inzicht in, onverminderd het Organisatie- en mandaatbesluit OCW 2005en de bevoegdheid van de secretaris-generaal tot het vaststellen van regelingen voor deze taakgebieden die voor het gehele ministerie gelden.
3. Zonodig worden separaat en bij voorkeur in het prestatiecontract nadere afspraken tussen portefeuillehouder en HD.CFI vastgelegd omtrent de eigen bevoegdheid die CFI heeft op grond van het tweede lid.
4. De directeuren-generaal formuleren de eisen aan de uit te voeren taken en bewaken de uitvoering ervan voor de eigen beleidsterreinen.
5. De directeuren-generaal dragen zorg voor het tijdig betrekken van CFI bij het ontwikkelen van beleid. Beleidsvoornemens en veranderingen in wet- en regelgeving die een verandering impliceren van de uitvoering binnen CFI worden tijdig aan CFI voorgelegd.
6. Indien het voor de taken van CFI noodzakelijk wordt geacht wet- en regelgeving aan te passen zal HD.CFI dit kenbaar maken aan de verantwoordelijk directeur-generaal.
7. Als er problemen zijn vanuit de afstemming tussen de directeur-generaal en HD.CFI informeert de directeur-generaal of HD.CFI hierover de portefeuillehouder. Eventuele beslispunten worden schriftelijk aan de portefeuillehouder ter besluitvorming voorgelegd.
8. Indien de continuïteit van de uitvoering van de taken bij CFI onder druk komt te staan, zal HD.CFI de portefeuillehouder hiervan onverwijld op de hoogte stellen.
2. De HD.CFI richt de bedrijfsvoering met inachtneming van deze regeling, naar eigen inzicht in, onverminderd het Organisatie- en mandaatbesluit OCW 2005en de bevoegdheid van de secretaris-generaal tot het vaststellen van regelingen voor deze taakgebieden die voor het gehele ministerie gelden.
3. Zonodig worden separaat en bij voorkeur in het prestatiecontract nadere afspraken tussen portefeuillehouder en HD.CFI vastgelegd omtrent de eigen bevoegdheid die CFI heeft op grond van het tweede lid.
4. De directeuren-generaal formuleren de eisen aan de uit te voeren taken en bewaken de uitvoering ervan voor de eigen beleidsterreinen.
5. De directeuren-generaal dragen zorg voor het tijdig betrekken van CFI bij het ontwikkelen van beleid. Beleidsvoornemens en veranderingen in wet- en regelgeving die een verandering impliceren van de uitvoering binnen CFI worden tijdig aan CFI voorgelegd.
6. Indien het voor de taken van CFI noodzakelijk wordt geacht wet- en regelgeving aan te passen zal HD.CFI dit kenbaar maken aan de verantwoordelijk directeur-generaal.
7. Als er problemen zijn vanuit de afstemming tussen de directeur-generaal en HD.CFI informeert de directeur-generaal of HD.CFI hierover de portefeuillehouder. Eventuele beslispunten worden schriftelijk aan de portefeuillehouder ter besluitvorming voorgelegd.
8. Indien de continuïteit van de uitvoering van de taken bij CFI onder druk komt te staan, zal HD.CFI de portefeuillehouder hiervan onverwijld op de hoogte stellen.