BWBR0019317
Geldig vanaf 2006-01-05
Artikel 3
Regeling financiële ondersteuning bestuurders Job
1. Aanspraak op financiële ondersteuning op basis van deze regeling ontstaat slechts onder de voorwaarde, dat de deelnemer die aanspraak maakt:
a. is of was aangewezen als bestuurder op grond van artikel 2 van deze regeling,
b. is ingeschreven als deelnemer bij een instelling als bedoeld in artikel 1, onder b, van deze regeling,
c. studievertraging heeft opgelopen als gevolg van zijn bestuursfunctie en ten gevolge van deze studievertraging geen aanspraak heeft op een prestatiebeurs ingevolge artikel 4.7 van de Wet studiefinanciering 2000, en
d. gedurende de periode van financiële ondersteuning op basis van deze regeling geen bestuursvergoeding van de JOB ontvangt, noch een lening op grond van artikel 4.7, vierde lid van de Wet studiefinanciering 2000.
2. Een deelnemer aan een opleiding niveau 3 of 4 heeft geen aanspraak op financiële ondersteuning op grond van deze regeling, indien is voldaan aan de voorwaarde vermeld in artikel 2.7a, onder b van de Wet studiefinanciering 2000.
a. is of was aangewezen als bestuurder op grond van artikel 2 van deze regeling,
b. is ingeschreven als deelnemer bij een instelling als bedoeld in artikel 1, onder b, van deze regeling,
c. studievertraging heeft opgelopen als gevolg van zijn bestuursfunctie en ten gevolge van deze studievertraging geen aanspraak heeft op een prestatiebeurs ingevolge artikel 4.7 van de Wet studiefinanciering 2000, en
d. gedurende de periode van financiële ondersteuning op basis van deze regeling geen bestuursvergoeding van de JOB ontvangt, noch een lening op grond van artikel 4.7, vierde lid van de Wet studiefinanciering 2000.
2. Een deelnemer aan een opleiding niveau 3 of 4 heeft geen aanspraak op financiële ondersteuning op grond van deze regeling, indien is voldaan aan de voorwaarde vermeld in artikel 2.7a, onder b van de Wet studiefinanciering 2000.