BWBR0019180
Geldig vanaf 2005-12-17
Artikel 3.4
Besluit Eenheid Planning en Advies Beleids-ondersteunend Team milieu-incidenten
1. De Expertgroep bestaat uit:
a. het hoofd van de Stafafdeling Crisismanagement, voorzitter, en het plaatsvervangend hoofd van de Stafafdeling Crisismanagement, plaatsvervangend voorzitter;
b. de operationeel manager;
c. de secretaris;
d. deskundigen van: 1°. het Inspectoraat-Generaal VROM, daartoe aangewezen door de inspecteur-generaal van het Inspectoraat-Generaal VROM;
2°. het Directoraat-Generaal Veiligheid van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, daartoe aangewezen door de directeur-generaal Veiligheid van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;
3°. het Departementaal Coördinatiecentrum Crisisbeheersing van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, daartoe aangewezen door de directeur-generaal van Rijkswaterstaat;
4°. het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport voor zover het betreft de dienstonderdelen de Milieu Ongevallen Dienst (MOD), het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum (NVIC) en het Centrum voor Externe Veiligheid (CEV), daartoe aangewezen door de directeur-generaal van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu;
5°. de Voedsel en Waren Autoriteit (VWA) van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, daartoe aangewezen door de directeur-generaal van de Voedsel en Waren Autoriteit;
6°. het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI) van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, daartoe aangewezen door de hoofddirecteur van het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut;
7°. het RIKILT-Instituut voor Voedselveiligheid namens het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, daartoe aangewezen door de directeur van het RIKILT;
8°. Rijkswaterstaat/het Rijksinstituut voor Integraal Zoetwaterbeheer en Afvalwaterbehandeling (RIZA) van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, daartoe aangewezen door de hoofdingenieur-directeur van het Rijksinstituut voor Integraal Zoetwaterbeheer en Afvalwaterbehandeling en
9°. het Militair Geneeskundig Facilitair Bedrijf (MGFB) van het Ministerie van Defensie, daartoe aangewezen door de directeur van het Militair Geneeskundig Facilitair Bedrijf.
1°. het Inspectoraat-Generaal VROM, daartoe aangewezen door de inspecteur-generaal van het Inspectoraat-Generaal VROM;
2°. het Directoraat-Generaal Veiligheid van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, daartoe aangewezen door de directeur-generaal Veiligheid van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;
3°. het Departementaal Coördinatiecentrum Crisisbeheersing van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, daartoe aangewezen door de directeur-generaal van Rijkswaterstaat;
4°. het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport voor zover het betreft de dienstonderdelen de Milieu Ongevallen Dienst (MOD), het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum (NVIC) en het Centrum voor Externe Veiligheid (CEV), daartoe aangewezen door de directeur-generaal van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu;
5°. de Voedsel en Waren Autoriteit (VWA) van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, daartoe aangewezen door de directeur-generaal van de Voedsel en Waren Autoriteit;
6°. het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI) van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, daartoe aangewezen door de hoofddirecteur van het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut;
7°. het RIKILT-Instituut voor Voedselveiligheid namens het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, daartoe aangewezen door de directeur van het RIKILT;
8°. Rijkswaterstaat/het Rijksinstituut voor Integraal Zoetwaterbeheer en Afvalwaterbehandeling (RIZA) van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, daartoe aangewezen door de hoofdingenieur-directeur van het Rijksinstituut voor Integraal Zoetwaterbeheer en Afvalwaterbehandeling en
9°. het Militair Geneeskundig Facilitair Bedrijf (MGFB) van het Ministerie van Defensie, daartoe aangewezen door de directeur van het Militair Geneeskundig Facilitair Bedrijf.
2. Voor ieder der krachtens het eerste lid, onder d, aangewezen deskundigen worden één of meer plaatsvervangers aangewezen.
3. De Expertgroep heeft de volgende taken:
a. het verrichten van coördinerende, initiërende en stimulerende activiteiten ter realisering van de taken van het BOT-mi;
b. het vormen van een platform voor de uitwisseling van kennis en ervaring met betrekking tot de BOT-mi-activiteiten;
c. het zorgdragen voor ontwikkeling en harmonisering van de BOT-mi-procedures;
d. het monitoren van de preparatie-, respons- en nazorgfasen met betrekking tot de activiteiten van het BOT-mi en het doen van aanbevelingen ter verbetering hieromtrent.
4. De Expertgroep vergadert tenminste éénmaal in de zes weken.
5. De Expertgroep kan zich laten bijstaan door externe deskundigen en instanties, voor zover dat voor de vervulling van de taken van het BOT-mi noodzakelijk is.
a. het hoofd van de Stafafdeling Crisismanagement, voorzitter, en het plaatsvervangend hoofd van de Stafafdeling Crisismanagement, plaatsvervangend voorzitter;
b. de operationeel manager;
c. de secretaris;
d. deskundigen van: 1°. het Inspectoraat-Generaal VROM, daartoe aangewezen door de inspecteur-generaal van het Inspectoraat-Generaal VROM;
2°. het Directoraat-Generaal Veiligheid van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, daartoe aangewezen door de directeur-generaal Veiligheid van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;
3°. het Departementaal Coördinatiecentrum Crisisbeheersing van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, daartoe aangewezen door de directeur-generaal van Rijkswaterstaat;
4°. het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport voor zover het betreft de dienstonderdelen de Milieu Ongevallen Dienst (MOD), het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum (NVIC) en het Centrum voor Externe Veiligheid (CEV), daartoe aangewezen door de directeur-generaal van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu;
5°. de Voedsel en Waren Autoriteit (VWA) van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, daartoe aangewezen door de directeur-generaal van de Voedsel en Waren Autoriteit;
6°. het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI) van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, daartoe aangewezen door de hoofddirecteur van het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut;
7°. het RIKILT-Instituut voor Voedselveiligheid namens het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, daartoe aangewezen door de directeur van het RIKILT;
8°. Rijkswaterstaat/het Rijksinstituut voor Integraal Zoetwaterbeheer en Afvalwaterbehandeling (RIZA) van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, daartoe aangewezen door de hoofdingenieur-directeur van het Rijksinstituut voor Integraal Zoetwaterbeheer en Afvalwaterbehandeling en
9°. het Militair Geneeskundig Facilitair Bedrijf (MGFB) van het Ministerie van Defensie, daartoe aangewezen door de directeur van het Militair Geneeskundig Facilitair Bedrijf.
1°. het Inspectoraat-Generaal VROM, daartoe aangewezen door de inspecteur-generaal van het Inspectoraat-Generaal VROM;
2°. het Directoraat-Generaal Veiligheid van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, daartoe aangewezen door de directeur-generaal Veiligheid van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;
3°. het Departementaal Coördinatiecentrum Crisisbeheersing van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, daartoe aangewezen door de directeur-generaal van Rijkswaterstaat;
4°. het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport voor zover het betreft de dienstonderdelen de Milieu Ongevallen Dienst (MOD), het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum (NVIC) en het Centrum voor Externe Veiligheid (CEV), daartoe aangewezen door de directeur-generaal van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu;
5°. de Voedsel en Waren Autoriteit (VWA) van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, daartoe aangewezen door de directeur-generaal van de Voedsel en Waren Autoriteit;
6°. het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI) van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, daartoe aangewezen door de hoofddirecteur van het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut;
7°. het RIKILT-Instituut voor Voedselveiligheid namens het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, daartoe aangewezen door de directeur van het RIKILT;
8°. Rijkswaterstaat/het Rijksinstituut voor Integraal Zoetwaterbeheer en Afvalwaterbehandeling (RIZA) van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, daartoe aangewezen door de hoofdingenieur-directeur van het Rijksinstituut voor Integraal Zoetwaterbeheer en Afvalwaterbehandeling en
9°. het Militair Geneeskundig Facilitair Bedrijf (MGFB) van het Ministerie van Defensie, daartoe aangewezen door de directeur van het Militair Geneeskundig Facilitair Bedrijf.
2. Voor ieder der krachtens het eerste lid, onder d, aangewezen deskundigen worden één of meer plaatsvervangers aangewezen.
3. De Expertgroep heeft de volgende taken:
a. het verrichten van coördinerende, initiërende en stimulerende activiteiten ter realisering van de taken van het BOT-mi;
b. het vormen van een platform voor de uitwisseling van kennis en ervaring met betrekking tot de BOT-mi-activiteiten;
c. het zorgdragen voor ontwikkeling en harmonisering van de BOT-mi-procedures;
d. het monitoren van de preparatie-, respons- en nazorgfasen met betrekking tot de activiteiten van het BOT-mi en het doen van aanbevelingen ter verbetering hieromtrent.
4. De Expertgroep vergadert tenminste éénmaal in de zes weken.
5. De Expertgroep kan zich laten bijstaan door externe deskundigen en instanties, voor zover dat voor de vervulling van de taken van het BOT-mi noodzakelijk is.