BWBR0019148
Geldig vanaf 2005-12-14
Artikel 2
Interimbeleid voor instemming met deelname aan CDM-projectactiviteiten
1. Dit artikel is van toepassing op projectactiviteiten in het kader van het mechanisme voor schone ontwikkeling, bedoeld in artikel 12 van het Protocol van Kyoto (CDM).
2. De Minister verleent instemming met deelname aan projectactiviteiten als bedoeld in artikel 12, vijfde lid, onder a, van het Protocol van Kyoto en de overeenkomstig dat protocol genomen besluiten.
3. De instemming wordt op verzoek van de projectdeelnemer verleend indien:
a. de deelname door de projectdeelnemer aan de projectactiviteit voldoet aan de eisen die in het Protocol van Kyoto en de overeenkomstig dat protocol genomen besluiten aan die deelname zijn gesteld;
b. voorzover het gaat om projectactiviteiten voor het opwekken van elektriciteit door waterkracht met een opwekkingsvermogen van meer dan 20 MW: bij de projectactiviteit en de uitvoering daarvan de in artikel 11ter, zesde lid, van de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten bedoelde richtlijnen van de Wereldcommissie Stuwdammen in acht worden genomen.
4. De instemming kan worden geweigerd indien:
a. niet is voldaan aan de eisen, bedoeld in het derde lid, onder a, of, voorzover van toepassing, onder b;
b. is gebleken dat bij de uitvoering van een andere projectactiviteit waarbij de projectdeelnemer is of was betrokken en waarvoor de Minister reeds instemming heeft verleend, niet is voldaan aan de eisen die in het derde lid met betrekking tot die uitvoering zijn gesteld.
5. Een verleende instemming omvat mede de machtiging van de betrokken projectdeelnemer, voorzover een dergelijke machtiging op grond van artikel 12, negende lid, van het Protocol van Kyoto en de overeenkomstig dat protocol genomen besluiten is vereist. Indien de eerste volzin van toepassing is, wordt in de beslissing op het verzoek aangegeven dat de instemming mede de machtiging omvat.
6. De Minister stelt bij hem berustende basisinformatie over projectactiviteiten waarvoor hij instemming heeft verleend, voor het publiek beschikbaar.
2. De Minister verleent instemming met deelname aan projectactiviteiten als bedoeld in artikel 12, vijfde lid, onder a, van het Protocol van Kyoto en de overeenkomstig dat protocol genomen besluiten.
3. De instemming wordt op verzoek van de projectdeelnemer verleend indien:
a. de deelname door de projectdeelnemer aan de projectactiviteit voldoet aan de eisen die in het Protocol van Kyoto en de overeenkomstig dat protocol genomen besluiten aan die deelname zijn gesteld;
b. voorzover het gaat om projectactiviteiten voor het opwekken van elektriciteit door waterkracht met een opwekkingsvermogen van meer dan 20 MW: bij de projectactiviteit en de uitvoering daarvan de in artikel 11ter, zesde lid, van de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten bedoelde richtlijnen van de Wereldcommissie Stuwdammen in acht worden genomen.
4. De instemming kan worden geweigerd indien:
a. niet is voldaan aan de eisen, bedoeld in het derde lid, onder a, of, voorzover van toepassing, onder b;
b. is gebleken dat bij de uitvoering van een andere projectactiviteit waarbij de projectdeelnemer is of was betrokken en waarvoor de Minister reeds instemming heeft verleend, niet is voldaan aan de eisen die in het derde lid met betrekking tot die uitvoering zijn gesteld.
5. Een verleende instemming omvat mede de machtiging van de betrokken projectdeelnemer, voorzover een dergelijke machtiging op grond van artikel 12, negende lid, van het Protocol van Kyoto en de overeenkomstig dat protocol genomen besluiten is vereist. Indien de eerste volzin van toepassing is, wordt in de beslissing op het verzoek aangegeven dat de instemming mede de machtiging omvat.
6. De Minister stelt bij hem berustende basisinformatie over projectactiviteiten waarvoor hij instemming heeft verleend, voor het publiek beschikbaar.