BWBR0019082
Geldig vanaf 2006-01-01
Artikel 2
Vergoedingenbesluit Wet Nationale ombudsman 2006
1. De vergoeding, bedoeld in artikel 1c, eerste lid, van de Wet Nationale ombudsman, bedraagt:
a. voor provincies: € 0,0061 per 26 september 2025 en met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2025: € 0,0077 per inwoner per jaar;
b. voor gemeenten: € 0,2321 per 26 september 2025 en met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2025: € 0,2845 per inwoner per jaar;
c. voor waterschappen: € 0,0116 per 26 september 2025 en met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2025: € 0,0147 per ingezetene per jaar;
d. voor openbare lichamen: USD 0,1989 per 26 september 2025 en met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2025: USD 0,2497 per inwoner per jaar.
2. Voor de berekening van de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a en b, wordt uitgegaan van de door het Centraal Bureau voor de Statistiek openbaar gemaakte bevolkingscijfers per 1 januari van het jaar waarover de vergoeding is verschuldigd.
3. Voor de berekening van de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder c, doen de waterschappen uiterlijk op 1 juli van het jaar waarover de vergoeding is verschuldigd, aan het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties opgaaf van de aantallen ingezetenen, bedoeld in artikel 118, derde lid, onder a, van de Waterschapswet.
a. voor provincies: € 0,0061 per 26 september 2025 en met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2025: € 0,0077 per inwoner per jaar;
b. voor gemeenten: € 0,2321 per 26 september 2025 en met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2025: € 0,2845 per inwoner per jaar;
c. voor waterschappen: € 0,0116 per 26 september 2025 en met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2025: € 0,0147 per ingezetene per jaar;
d. voor openbare lichamen: USD 0,1989 per 26 september 2025 en met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2025: USD 0,2497 per inwoner per jaar.
2. Voor de berekening van de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a en b, wordt uitgegaan van de door het Centraal Bureau voor de Statistiek openbaar gemaakte bevolkingscijfers per 1 januari van het jaar waarover de vergoeding is verschuldigd.
3. Voor de berekening van de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder c, doen de waterschappen uiterlijk op 1 juli van het jaar waarover de vergoeding is verschuldigd, aan het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties opgaaf van de aantallen ingezetenen, bedoeld in artikel 118, derde lid, onder a, van de Waterschapswet.