BWBR0019016
Geldig vanaf 2005-11-25
Artikel 2
Uitvoeringsregeling reclassering 2005
1. Als reclasseringswerker kan slechts worden aangewezen degene die:
a. in het bezit is van het diploma Hoger Sociaal Agogisch Onderwijs (maatschappelijk werk en dienstverlening, HSAO-MDW) of van een voor het reclasseringswerk als gelijkwaardig te beschouwen getuigschrift;
b. in dienst is van een reclasseringsinstelling en
c. beschikt over een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.
2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, kan een medewerker van een reclasseringsinstelling die belast is met de uitvoering van werkstraffen en in het bezit is van het diploma Middelbaar Sociaal Agogisch Onderwijs of een als gelijkwaardig te beschouwen getuigschrift, als reclasseringswerker worden aangewezen.
3. Ten behoeve van de aanwijzing als reclasseringswerker legt de kandidaat de stukken over waaruit blijkt dat hij voldoet aan de in het eerste en tweede lid gestelde eisen.
a. in het bezit is van het diploma Hoger Sociaal Agogisch Onderwijs (maatschappelijk werk en dienstverlening, HSAO-MDW) of van een voor het reclasseringswerk als gelijkwaardig te beschouwen getuigschrift;
b. in dienst is van een reclasseringsinstelling en
c. beschikt over een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.
2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, kan een medewerker van een reclasseringsinstelling die belast is met de uitvoering van werkstraffen en in het bezit is van het diploma Middelbaar Sociaal Agogisch Onderwijs of een als gelijkwaardig te beschouwen getuigschrift, als reclasseringswerker worden aangewezen.
3. Ten behoeve van de aanwijzing als reclasseringswerker legt de kandidaat de stukken over waaruit blijkt dat hij voldoet aan de in het eerste en tweede lid gestelde eisen.