BWBR0018989
Geldig vanaf 2023-12-14
Artikel 25c
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
1. De landbouwer voldoet aan de gebruiksnormen, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0004054/artikel/8" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 8 van de wet</a>, en de bij of krachtens de hoofdstukken 5en 9in samenhang met de <a href="/wet/BWBR0019031" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">hoofdstukken IV</a>, <a href="/wet/BWBR0019031" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">VI</a>en <a href="/wet/BWBR0019031" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">X</a>van het besluit gestelde regels. Op de tot het bedrijf van de landbouwer behorende oppervlakte landbouwgrond wordt voldaan aan het bepaalde bij of krachtens de <a href="/wet/BWBR0041330/artikel/4.1193" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 4.1193</a>, <a href="/wet/BWBR0041330/artikel/4.1194" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">4.1194</a>, <a href="/wet/BWBR0041330/artikel/4.1199" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">4.1199</a>, <a href="/wet/BWBR0041330/artikel/4.1213" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">4.1213</a>, <a href="/wet/BWBR0041330/artikel/4.1215" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">4.1215</a>, <a href="/wet/BWBR0041330/artikel/4.1216" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">4.1216</a>, <a href="/wet/BWBR0041330/artikel/4.1217" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">4.1217</a>en <a href="/wet/BWBR0041330/artikel/4.1218" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">4.1218 van het Besluit activiteiten leefomgeving</a>.
2. In het kalenderjaar waarin de gebruiksnormen, bedoeld in artikel 24, eerste en tweede lid, worden toegepast, wordt gedurende de periode van 15 mei tot en met 15 september ten minste tachtig procent van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond, die voor het op of in de bodem brengen van dierlijke meststoffen beschikbaar is, onafgebroken beteeld met gras dat is bestemd om te worden gebruikt als ruwvoer.
3. De landbouwer gebruikt geen fosfaat uit kunstmest.
4. De landbouwer verleent desgevraagd zijn medewerking aan monitoringswerkzaamheden als bedoeld in artikel 10 van de derogatiebeschikking, in opdracht van de minister of de Minister van Infrastructuur en Waterstaat.
5. In het kalenderjaar waarin de gebruiksnorm, bedoeld in artikel 24, tweede lid, wordt toegepast op landbouwgrond gelegen op klei- of veengrond in met nutriënten verontreinigde gebieden wordt, in afwijking van <a href="/wet/BWBR0041330/artikel/4.1215" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 4.1215, tweede lid, onderdeel a, van het Besluit activiteiten leefomgeving</a>, de zode van gras uitsluitend vernietigd:
a. in de periode van 1 februari tot en met 10 mei als aansluitend op het vernietigen van de zode van gras de teelt van een relatief stikstofbehoeftig gewas als bedoeld in bijlage IVb bij het Besluit activiteiten leefomgeving begint;
b. in de periode van 11 mei tot en met 20 juni als aansluitend op het vernietigen van de zode van gras de teelt van een gewas begint; of
c. in de periode van 21 juni tot en met 31 augustus als aansluitend op het vernietigen van de zode van gras de teelt van gras begint.
6. Indien in de periode van 1 juni tot en met 31 augustus aansluitend op het vernietigen van de zode van gras, bedoeld in het vijfde lid, opnieuw gras wordt geteeld, meldt de landbouwer voorafgaand aan het vernietigen de datum waarop de zode wordt vernietigd aan de minister.
7. In het kalenderjaar waarin de gebruiksnorm, bedoeld in artikel 24, eerste of tweede lid, wordt toegepast is artikel 28f, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, en tweede lid, van overeenkomstige toepassing op de tot het bedrijf van de landbouwer behorende oppervlakte landbouwgrond gelegen op klei- of veengrond, met dien verstande dat:
a. de vermindering, bedoeld in artikel 28f, eerste lid, aanhef en onderdeel a, alleen van toepassing is indien de zode van gras wordt vernietigd voor de teelt van maïs;
b. de vermindering, bedoeld in artikel 28f, eerste lid, aanhef en onderdeel b, ook van toepassing is indien de zode van gras wordt vernietigd na 31 augustus.
8. In het kalenderjaar waarin de gebruiksnorm, bedoeld in artikel 24, tweede lid, wordt toegepast op landbouwgrond gelegen op klei- of veengrond in met nutriënten verontreinigde gebieden zijn <a href="/wet/BWBR0041330/artikel/4.1193" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 4.1193 van het Besluit activiteiten leefomgeving</a>en een op de artikelen 4.1193, vierde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving en <a href="/wet/BWBR0037885/artikel/19.0" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">19.0 van de Omgevingswet</a>gebaseerd besluit van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in afwijking van de daarin genoemde tijdstippen de teelt van een daarin genoemd gewas na de teelt van maïs aanvangt.
9. De landbouwer gebruikt een mestaanwendsysteem met een bemester waarbij drijfmest in strookjes op de bodem wordt gebracht uitsluitend indien de buitentemperatuur op het perceel waar de drijfmest wordt aangewend lager is dan 20° Celsius.
10. De buitentemperatuur, bedoeld in het negende lid, is de op het moment van gebruik laatst beschikbare tien-minutenwaarde van de gemeten temperatuur die het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut voor de weerstationregio waar het perceel in valt, heeft uitgevaardigd in een algemeen weerbericht, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0037074/artikel/3" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de Wet taken meteorologie en seismologie</a>. Indien een perceel op de grens ligt van weerstationregio’s, geldt de laagste door de desbetreffende weerstations gemeten waarde.
11. Een weerstationregio, bedoeld in het tiende lid, is de door het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut bepaalde regio waarvoor de temperatuurwaarden gelden die het in die regio gelegen weerstation van het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut meet. Het kaartje met de door het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut bepaalde weerstationregio’s is beschikbaar op de internetpagina van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit ( www.nvwa.nl).
12. Indien blijkt dat het weerstation van de weerstationregio waar het perceel in valt door storing of andere oorzaak geen tien-minutenwaarden beschikbaar stelt, wordt in afwijking van het tiende lid, eerste volzin, uitgegaan van de op het moment van gebruik laagste laatst beschikbare tien-minutenwaarde geldend in een aangrenzende weerstationregio.
2. In het kalenderjaar waarin de gebruiksnormen, bedoeld in artikel 24, eerste en tweede lid, worden toegepast, wordt gedurende de periode van 15 mei tot en met 15 september ten minste tachtig procent van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond, die voor het op of in de bodem brengen van dierlijke meststoffen beschikbaar is, onafgebroken beteeld met gras dat is bestemd om te worden gebruikt als ruwvoer.
3. De landbouwer gebruikt geen fosfaat uit kunstmest.
4. De landbouwer verleent desgevraagd zijn medewerking aan monitoringswerkzaamheden als bedoeld in artikel 10 van de derogatiebeschikking, in opdracht van de minister of de Minister van Infrastructuur en Waterstaat.
5. In het kalenderjaar waarin de gebruiksnorm, bedoeld in artikel 24, tweede lid, wordt toegepast op landbouwgrond gelegen op klei- of veengrond in met nutriënten verontreinigde gebieden wordt, in afwijking van <a href="/wet/BWBR0041330/artikel/4.1215" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 4.1215, tweede lid, onderdeel a, van het Besluit activiteiten leefomgeving</a>, de zode van gras uitsluitend vernietigd:
a. in de periode van 1 februari tot en met 10 mei als aansluitend op het vernietigen van de zode van gras de teelt van een relatief stikstofbehoeftig gewas als bedoeld in bijlage IVb bij het Besluit activiteiten leefomgeving begint;
b. in de periode van 11 mei tot en met 20 juni als aansluitend op het vernietigen van de zode van gras de teelt van een gewas begint; of
c. in de periode van 21 juni tot en met 31 augustus als aansluitend op het vernietigen van de zode van gras de teelt van gras begint.
6. Indien in de periode van 1 juni tot en met 31 augustus aansluitend op het vernietigen van de zode van gras, bedoeld in het vijfde lid, opnieuw gras wordt geteeld, meldt de landbouwer voorafgaand aan het vernietigen de datum waarop de zode wordt vernietigd aan de minister.
7. In het kalenderjaar waarin de gebruiksnorm, bedoeld in artikel 24, eerste of tweede lid, wordt toegepast is artikel 28f, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, en tweede lid, van overeenkomstige toepassing op de tot het bedrijf van de landbouwer behorende oppervlakte landbouwgrond gelegen op klei- of veengrond, met dien verstande dat:
a. de vermindering, bedoeld in artikel 28f, eerste lid, aanhef en onderdeel a, alleen van toepassing is indien de zode van gras wordt vernietigd voor de teelt van maïs;
b. de vermindering, bedoeld in artikel 28f, eerste lid, aanhef en onderdeel b, ook van toepassing is indien de zode van gras wordt vernietigd na 31 augustus.
8. In het kalenderjaar waarin de gebruiksnorm, bedoeld in artikel 24, tweede lid, wordt toegepast op landbouwgrond gelegen op klei- of veengrond in met nutriënten verontreinigde gebieden zijn <a href="/wet/BWBR0041330/artikel/4.1193" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 4.1193 van het Besluit activiteiten leefomgeving</a>en een op de artikelen 4.1193, vierde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving en <a href="/wet/BWBR0037885/artikel/19.0" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">19.0 van de Omgevingswet</a>gebaseerd besluit van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in afwijking van de daarin genoemde tijdstippen de teelt van een daarin genoemd gewas na de teelt van maïs aanvangt.
9. De landbouwer gebruikt een mestaanwendsysteem met een bemester waarbij drijfmest in strookjes op de bodem wordt gebracht uitsluitend indien de buitentemperatuur op het perceel waar de drijfmest wordt aangewend lager is dan 20° Celsius.
10. De buitentemperatuur, bedoeld in het negende lid, is de op het moment van gebruik laatst beschikbare tien-minutenwaarde van de gemeten temperatuur die het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut voor de weerstationregio waar het perceel in valt, heeft uitgevaardigd in een algemeen weerbericht, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0037074/artikel/3" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de Wet taken meteorologie en seismologie</a>. Indien een perceel op de grens ligt van weerstationregio’s, geldt de laagste door de desbetreffende weerstations gemeten waarde.
11. Een weerstationregio, bedoeld in het tiende lid, is de door het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut bepaalde regio waarvoor de temperatuurwaarden gelden die het in die regio gelegen weerstation van het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut meet. Het kaartje met de door het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut bepaalde weerstationregio’s is beschikbaar op de internetpagina van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit ( www.nvwa.nl).
12. Indien blijkt dat het weerstation van de weerstationregio waar het perceel in valt door storing of andere oorzaak geen tien-minutenwaarden beschikbaar stelt, wordt in afwijking van het tiende lid, eerste volzin, uitgegaan van de op het moment van gebruik laagste laatst beschikbare tien-minutenwaarde geldend in een aangrenzende weerstationregio.