BWBR0018989
Geldig vanaf 2023-12-14
Artikel 110b
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
1. Een landbouwer is in een kalenderjaar uitgezonderd van het verbod, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0004054/artikel/21b" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 21b, van de wet</a>, voor zover hij op zijn bedrijf dierlijke meststoffen produceert met jongvee voor de zoogkoeienhouderij, indien:
a. in het desbetreffende kalenderjaar op het bedrijf niet tevens melk- of kalfkoeien of vrouwelijk jongvee voor de melkveehouderij worden gehouden;
b. hij ervoor zorgt dat met in het desbetreffende kalenderjaar op het bedrijf gehouden vrouwelijke runderen nadien geen dierlijke meststoffen worden geproduceerd op een bedrijf dat melk bestemd voor consumptie of verwerking produceert;
c. in het geval de Minister ten aanzien van het bedrijf een fosfaatrecht heeft vastgesteld overeenkomstig artikel 23, derde tot en met zesde en negende lid, van de wet, een kennisgeving van het vervallen van dit fosfaatrecht met ingang van het kalenderjaar waarin voor het eerst met het bedrijf gebruik wordt gemaakt van de uitzondering, is geregistreerd overeenkomstig artikel 31, tweede lid, van de wet voorafgaand aan dat kalenderjaar, en
d. hij in het desbetreffende kalenderjaar geen vrouwelijke runderen inschaart van, of uitschaart naar, een landbouwer die niet is uitgezonderd.
2. Het eerste lid, onderdeel c, is van overeenkomstige toepassing op een fosfaatrecht dat de Minister overeenkomstig <a href="/wet/BWBR0004054/artikel/23" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 23, derde tot en met zesde en negende lid, van de wet</a>, heeft vastgesteld ten aanzien van een ander bedrijf waarvan de landbouwer bestuurder is geweest in de 3 jaren voorafgaand aan het jaar waarin hij voor het eerst met het bedrijf gebruik maakt van de uitzondering.
3. Het eerste lid is niet van toepassing op een landbouwer die na 8 maart 2018 op zijn bedrijf dierlijke meststoffen met jongvee voor de zoogkoeienhouderij is gaan produceren, indien moet worden aangenomen dat de oprichting van dat bedrijf of het houden van jongvee voor de zoogkoeienhouderij op dat bedrijf, in overwegende mate ten doel heeft de toepassing van het eerste lid, onderdeel c, en tweede lid, te vermijden.
a. in het desbetreffende kalenderjaar op het bedrijf niet tevens melk- of kalfkoeien of vrouwelijk jongvee voor de melkveehouderij worden gehouden;
b. hij ervoor zorgt dat met in het desbetreffende kalenderjaar op het bedrijf gehouden vrouwelijke runderen nadien geen dierlijke meststoffen worden geproduceerd op een bedrijf dat melk bestemd voor consumptie of verwerking produceert;
c. in het geval de Minister ten aanzien van het bedrijf een fosfaatrecht heeft vastgesteld overeenkomstig artikel 23, derde tot en met zesde en negende lid, van de wet, een kennisgeving van het vervallen van dit fosfaatrecht met ingang van het kalenderjaar waarin voor het eerst met het bedrijf gebruik wordt gemaakt van de uitzondering, is geregistreerd overeenkomstig artikel 31, tweede lid, van de wet voorafgaand aan dat kalenderjaar, en
d. hij in het desbetreffende kalenderjaar geen vrouwelijke runderen inschaart van, of uitschaart naar, een landbouwer die niet is uitgezonderd.
2. Het eerste lid, onderdeel c, is van overeenkomstige toepassing op een fosfaatrecht dat de Minister overeenkomstig <a href="/wet/BWBR0004054/artikel/23" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 23, derde tot en met zesde en negende lid, van de wet</a>, heeft vastgesteld ten aanzien van een ander bedrijf waarvan de landbouwer bestuurder is geweest in de 3 jaren voorafgaand aan het jaar waarin hij voor het eerst met het bedrijf gebruik maakt van de uitzondering.
3. Het eerste lid is niet van toepassing op een landbouwer die na 8 maart 2018 op zijn bedrijf dierlijke meststoffen met jongvee voor de zoogkoeienhouderij is gaan produceren, indien moet worden aangenomen dat de oprichting van dat bedrijf of het houden van jongvee voor de zoogkoeienhouderij op dat bedrijf, in overwegende mate ten doel heeft de toepassing van het eerste lid, onderdeel c, en tweede lid, te vermijden.