BWBR0018575
Geldig vanaf 2006-01-01
Artikel 2
Regeling benzinevervoer in mobiele tanks 2006
1. Het verbod van artikel 4is niet van toepassing op een ladingtank indien de schipper kan aantonen dat na het vervoeren van benzine:
a. de drie opvolgende ladingen van die ladingtank niet bestonden uit benzine, waarbij die ladingtank tijdens het laden telkens voor minimaal 50% werd gevuld;
b. de direct opvolgende lading van die ladingtank niet bestond uit benzine, waarbij die ladingtank tijdens het laden voor minimaal 95% werd gevuld; of
c. de restladingdamp van die ladingtank is verwerkt in een ontvangstvoorziening, waarbij de dampconcentratie wordt gemeten op een representatief punt in de leiding die loopt van de ladingtank naar de ontvangstvoorziening, waarbij de gemeten stofgerelateerde waardes ten hoogste 10% LEL mogen zijn.
2. De meting, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt na 30 minuten herhaald.
a. de drie opvolgende ladingen van die ladingtank niet bestonden uit benzine, waarbij die ladingtank tijdens het laden telkens voor minimaal 50% werd gevuld;
b. de direct opvolgende lading van die ladingtank niet bestond uit benzine, waarbij die ladingtank tijdens het laden voor minimaal 95% werd gevuld; of
c. de restladingdamp van die ladingtank is verwerkt in een ontvangstvoorziening, waarbij de dampconcentratie wordt gemeten op een representatief punt in de leiding die loopt van de ladingtank naar de ontvangstvoorziening, waarbij de gemeten stofgerelateerde waardes ten hoogste 10% LEL mogen zijn.
2. De meting, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt na 30 minuten herhaald.