BWBR0018529
Geldig vanaf 2006-03-02
Artikel 6
Besluit mandaat, volmacht en machtiging raad van bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit
1. De raad kan voor de in de artikelen 2 tot en met 4abedoelde aangelegenheden slechts ondermandaat, volmacht en machtiging aan een afzonderlijk lid van de raad verlenen indien niet gewacht kan worden op een besluit van de raad.
2. De raad kan mandaat, volmacht en machtiging verlenen voor de in de artikelen 2 tot en met 4abedoelde aangelegenheden aan een afzonderlijk lid van de raad voor de schriftelijke afdoening en ondertekening van stukken die voortvloeien uit door de raad genomen besluiten.
3. De raad verleent voor de in de artikelen 2en 4bedoelde aangelegenheden ondermandaat, volmacht en machtiging aan functionarissen werkzaam voor zijn organisatie en kan ondermandaat, volmacht en machtiging verlenen voor de in de artikelen 3en 4abedoelde aangelegenheden.
4. De raad kan voor de in artikel 4bedoelde aangelegenheden slechts ondermandaat, volmacht en machtiging verlenen aan functionarissen werkzaam voor zijn organisatie voor zover het betreft:
1°. het aanstellen van medewerkers;
2°. het verlenen van ontslag, bedoeld in artikel 94 van het ARAR;
3°. het goedkeuren van aanvragen tot wijzigingen in de arbeidsduur van medewerkers met uitzondering van aanvragen bedoeld in artikel 21, tweede lid, van het ARAR;
4°. het verlenen van toestemming voor interim functievervulling en het aangaan van desbetreffende overeenkomsten;
5°. het beslissen op een aanvraag in het kader van de geldende regels inzake scholingsfaciliteiten, inclusief het verlenen van studieverlof;
6°. het aangaan van verplichtingen inzake de opleiding van medewerkers;
7°. verzoeken om betaling, voortvloeiend uit verplichtingen die zijn aangegaan voor de opleiding van medewerkers;
8°. het aangaan van verplichtingen inzake het inhuren van tijdelijk personeel;
9°. verzoeken om betaling, voortvloeiend uit verplichtingen die zijn aangegaan voor het inhuren van tijdelijk personeel;
10°. het aangaan van stageovereenkomsten;
11°. het doen van uitgaven voor aardigheidjes;
12°. het doen van uitgaven ten behoeve van representatie;
13°. het toekennen van eenmalige toeslagen van maximaal € 500 netto aan medewerkers in het kader van ‘bewust belonen’;
14°. het nemen van beslissingen inzake het woon-werkverkeer;
15°. het verlenen van vakantie, kort buitengewoon verlof, zwangerschaps- en bevallingsverlof;
16°. het accorderen van dienstreizen en van reiskostendeclaraties.
2. De raad kan mandaat, volmacht en machtiging verlenen voor de in de artikelen 2 tot en met 4abedoelde aangelegenheden aan een afzonderlijk lid van de raad voor de schriftelijke afdoening en ondertekening van stukken die voortvloeien uit door de raad genomen besluiten.
3. De raad verleent voor de in de artikelen 2en 4bedoelde aangelegenheden ondermandaat, volmacht en machtiging aan functionarissen werkzaam voor zijn organisatie en kan ondermandaat, volmacht en machtiging verlenen voor de in de artikelen 3en 4abedoelde aangelegenheden.
4. De raad kan voor de in artikel 4bedoelde aangelegenheden slechts ondermandaat, volmacht en machtiging verlenen aan functionarissen werkzaam voor zijn organisatie voor zover het betreft:
1°. het aanstellen van medewerkers;
2°. het verlenen van ontslag, bedoeld in artikel 94 van het ARAR;
3°. het goedkeuren van aanvragen tot wijzigingen in de arbeidsduur van medewerkers met uitzondering van aanvragen bedoeld in artikel 21, tweede lid, van het ARAR;
4°. het verlenen van toestemming voor interim functievervulling en het aangaan van desbetreffende overeenkomsten;
5°. het beslissen op een aanvraag in het kader van de geldende regels inzake scholingsfaciliteiten, inclusief het verlenen van studieverlof;
6°. het aangaan van verplichtingen inzake de opleiding van medewerkers;
7°. verzoeken om betaling, voortvloeiend uit verplichtingen die zijn aangegaan voor de opleiding van medewerkers;
8°. het aangaan van verplichtingen inzake het inhuren van tijdelijk personeel;
9°. verzoeken om betaling, voortvloeiend uit verplichtingen die zijn aangegaan voor het inhuren van tijdelijk personeel;
10°. het aangaan van stageovereenkomsten;
11°. het doen van uitgaven voor aardigheidjes;
12°. het doen van uitgaven ten behoeve van representatie;
13°. het toekennen van eenmalige toeslagen van maximaal € 500 netto aan medewerkers in het kader van ‘bewust belonen’;
14°. het nemen van beslissingen inzake het woon-werkverkeer;
15°. het verlenen van vakantie, kort buitengewoon verlof, zwangerschaps- en bevallingsverlof;
16°. het accorderen van dienstreizen en van reiskostendeclaraties.