BWBR0018447
Geldig vanaf 2005-07-31
Artikel 16
Wet tot veiling van bepaalde verkooppunten van motorbrandstoffen
1. Een bestaande exploitatieovereenkomst die een locatie tot voorwerp heeft met betrekking waartoe op dat tijdstip nog geen veiling heeft plaats gehad, eindigt op 31 december 2017, tenzij partijen, zo nodig met toepassing van het derde lid, een ander tijdstip zijn overeengekomen.
2. In afwijking van het eerste lid eindigt een bestaande exploitatieovereenkomst waarbij de exploitant aan de wederpartij bij de bestaande overeenkomst is toegewezen door Onze Minister van Economische Zaken en die een locatie tot voorwerp heeft met betrekking waartoe op dat tijdstip nog geen veiling heeft plaats gehad op 31 december 2020, tenzij partijen, zo nodig met toepassing van het derde lid, een ander tijdstip zijn overeengekomen.
3. De partijen bij een bestaande exploitatieovereenkomst kunnen overeenkomen, dat hun overeenkomst voortduurt tot een tijdstip dat is gelegen na 31 december 2017 onderscheidenlijk 31 december 2020, mits zij daarbij tevens overeenkomen dat de bestaande exploitatieovereenkomst niet later eindigt dan op het tijdstip waarop de bestaande overeenkomst op grond van artikel 7eindigt.
4. Een bestaande exploitatieovereenkomst, gesloten met een exploitant over wie de wederpartij van de Staat bij een bestaande overeenkomst zeggenschap heeft als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0008691/artikel/26" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 26 van de Mededingingswet</a>of in wie de wederpartij een deelneming heeft als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0003045/artikel/24c" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 24c van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek</a>, eindigt op het tijdstip waarop de bestaande overeenkomst op grond van artikel 7eindigt, tenzij partijen een eerder tijdstip zijn overeengekomen.
5. De overeenkomst die op de voet van artikel 11tot stand komt tussen de bestaande exploitant en degene, die ingevolge de veiling huurder wordt van de locatie, eindigt van rechtswege op 31 december 2017, tenzij partijen een eerder tijdstip zijn overeengekomen.
6. De overeenkomst die op de voet van artikel 13tot stand komt tussen de bestaande exploitant en degene, die ingevolge de veiling huurder wordt van de locatie, eindigt van rechtswege op 31 december 2020, tenzij partijen een eerder tijdstip zijn overeengekomen.
7. De overeenkomst, die wordt gesloten na het tijdstip waarop deze wet in werking treedt tussen een wederpartij van de Staat bij een bestaande overeenkomst en een exploitant, eindigt op het tijdstip waarop de bestaande overeenkomst op grond van artikel 7eindigt, tenzij partijen een eerder tijdstip zijn overeengekomen.
8. In afwijking van <a href="/wet/BWBR0005290/artikel/300" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 300, tweede en derde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek</a>, eindigt de bestaande exploitatieovereenkomst bedoeld in het eerste tot en met vierde lid, alsmede de overeenkomst bedoeld in het vijfde tot en met zevende lid zonder dat daartoe een opzegging vereist is en zonder dat daarbij een aanspraak op schadevergoeding ontstaat.
2. In afwijking van het eerste lid eindigt een bestaande exploitatieovereenkomst waarbij de exploitant aan de wederpartij bij de bestaande overeenkomst is toegewezen door Onze Minister van Economische Zaken en die een locatie tot voorwerp heeft met betrekking waartoe op dat tijdstip nog geen veiling heeft plaats gehad op 31 december 2020, tenzij partijen, zo nodig met toepassing van het derde lid, een ander tijdstip zijn overeengekomen.
3. De partijen bij een bestaande exploitatieovereenkomst kunnen overeenkomen, dat hun overeenkomst voortduurt tot een tijdstip dat is gelegen na 31 december 2017 onderscheidenlijk 31 december 2020, mits zij daarbij tevens overeenkomen dat de bestaande exploitatieovereenkomst niet later eindigt dan op het tijdstip waarop de bestaande overeenkomst op grond van artikel 7eindigt.
4. Een bestaande exploitatieovereenkomst, gesloten met een exploitant over wie de wederpartij van de Staat bij een bestaande overeenkomst zeggenschap heeft als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0008691/artikel/26" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 26 van de Mededingingswet</a>of in wie de wederpartij een deelneming heeft als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0003045/artikel/24c" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 24c van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek</a>, eindigt op het tijdstip waarop de bestaande overeenkomst op grond van artikel 7eindigt, tenzij partijen een eerder tijdstip zijn overeengekomen.
5. De overeenkomst die op de voet van artikel 11tot stand komt tussen de bestaande exploitant en degene, die ingevolge de veiling huurder wordt van de locatie, eindigt van rechtswege op 31 december 2017, tenzij partijen een eerder tijdstip zijn overeengekomen.
6. De overeenkomst die op de voet van artikel 13tot stand komt tussen de bestaande exploitant en degene, die ingevolge de veiling huurder wordt van de locatie, eindigt van rechtswege op 31 december 2020, tenzij partijen een eerder tijdstip zijn overeengekomen.
7. De overeenkomst, die wordt gesloten na het tijdstip waarop deze wet in werking treedt tussen een wederpartij van de Staat bij een bestaande overeenkomst en een exploitant, eindigt op het tijdstip waarop de bestaande overeenkomst op grond van artikel 7eindigt, tenzij partijen een eerder tijdstip zijn overeengekomen.
8. In afwijking van <a href="/wet/BWBR0005290/artikel/300" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 300, tweede en derde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek</a>, eindigt de bestaande exploitatieovereenkomst bedoeld in het eerste tot en met vierde lid, alsmede de overeenkomst bedoeld in het vijfde tot en met zevende lid zonder dat daartoe een opzegging vereist is en zonder dat daarbij een aanspraak op schadevergoeding ontstaat.