BWBR0018423
Geldig vanaf 2005-06-15
Artikel 14
Regeling subsidiëring Actieplan BBI-Matra 2005–2008
1. De minister rangschikt de aanvragen die voor subsidie in aanmerking komen zodanig dat een project of een programma hoger gerangschikt wordt naarmate het:
a. meer bijdraagt aan de verwezenlijking van de doelstelling, genoemd in artikel 2;
b. meer aansluit bij de in artikel 4 genoemde thematische invalshoeken;
c. meerdere van de volgende kenmerken heeft: – het hebben van doorwerking in die zin dat het project breed kan worden toegepast en een blijvend effect heeft in de ontvangende regio;
– het hebben van brede bestuurlijke steun in de ontvangende regio;
– het bijdragen aan de formulering of aan de uitvoering van biodiversiteitsbeleid in de betreffende regio;
– het maximaal ten goede komen aan het ontvangende land en daarbij tevens rekening houden met de inbreng en de belangen van Nederland;
– het hebben van een gunstige kosten-baten verhouding;
– het ontvangen van medefinanciering door andere organisaties dan LNV;
– het project verschilt van projecten waaraan in een voorafgaande aanvraagperiode reeds subsidie is verleend;
– ingeval het een project betreft in de Russische Federatie of Oekraïne, het bijdragen aan de gezamenlijke door Nederland en de Russische Federatie respectievelijk Oekraïne opgestelde werkplannen in het kader van de Memoranda of Understanding op het gebied van respectievelijk milieu bescherming en natuur, met uitzondering van het onderwerp waterkwaliteitsbeheer in het gezamenlijke werkplan met de Russische Federatie.
– het hebben van doorwerking in die zin dat het project breed kan worden toegepast en een blijvend effect heeft in de ontvangende regio;
– het hebben van brede bestuurlijke steun in de ontvangende regio;
– het bijdragen aan de formulering of aan de uitvoering van biodiversiteitsbeleid in de betreffende regio;
– het maximaal ten goede komen aan het ontvangende land en daarbij tevens rekening houden met de inbreng en de belangen van Nederland;
– het hebben van een gunstige kosten-baten verhouding;
– het ontvangen van medefinanciering door andere organisaties dan LNV;
– het project verschilt van projecten waaraan in een voorafgaande aanvraagperiode reeds subsidie is verleend;
– ingeval het een project betreft in de Russische Federatie of Oekraïne, het bijdragen aan de gezamenlijke door Nederland en de Russische Federatie respectievelijk Oekraïne opgestelde werkplannen in het kader van de Memoranda of Understanding op het gebied van respectievelijk milieu bescherming en natuur, met uitzondering van het onderwerp waterkwaliteitsbeheer in het gezamenlijke werkplan met de Russische Federatie.
2. De minister houdt bij de rangschikking van de aanvragen rekening met een evenwichtige verdeling van de middelen over de thematische invalshoeken, genoemd in artikel 4, over de doellanden en over projecten.
3. Voor de aanvraagperioden in de jaren 2007 en 2008 worden projecten met de volgende thematische invalhoeken of in de volgende doellanden hoger gerangschikt:
a. projecten ter ondersteuning van nationale beleidsontwikkeling op het gebied van ecologische netwerken;
b. projecten ter ondersteuning van de totstandkoming van mariene beschermde gebieden;
c. projecten ter stimulering van de integratie van biodiversiteit in de sectoren landbouw, bosbouw, visserij en recreatie en toerisme.
4. De minister maakt het in het derde lid genoemde besluit bekend in de Staatscourant.
a. meer bijdraagt aan de verwezenlijking van de doelstelling, genoemd in artikel 2;
b. meer aansluit bij de in artikel 4 genoemde thematische invalshoeken;
c. meerdere van de volgende kenmerken heeft: – het hebben van doorwerking in die zin dat het project breed kan worden toegepast en een blijvend effect heeft in de ontvangende regio;
– het hebben van brede bestuurlijke steun in de ontvangende regio;
– het bijdragen aan de formulering of aan de uitvoering van biodiversiteitsbeleid in de betreffende regio;
– het maximaal ten goede komen aan het ontvangende land en daarbij tevens rekening houden met de inbreng en de belangen van Nederland;
– het hebben van een gunstige kosten-baten verhouding;
– het ontvangen van medefinanciering door andere organisaties dan LNV;
– het project verschilt van projecten waaraan in een voorafgaande aanvraagperiode reeds subsidie is verleend;
– ingeval het een project betreft in de Russische Federatie of Oekraïne, het bijdragen aan de gezamenlijke door Nederland en de Russische Federatie respectievelijk Oekraïne opgestelde werkplannen in het kader van de Memoranda of Understanding op het gebied van respectievelijk milieu bescherming en natuur, met uitzondering van het onderwerp waterkwaliteitsbeheer in het gezamenlijke werkplan met de Russische Federatie.
– het hebben van doorwerking in die zin dat het project breed kan worden toegepast en een blijvend effect heeft in de ontvangende regio;
– het hebben van brede bestuurlijke steun in de ontvangende regio;
– het bijdragen aan de formulering of aan de uitvoering van biodiversiteitsbeleid in de betreffende regio;
– het maximaal ten goede komen aan het ontvangende land en daarbij tevens rekening houden met de inbreng en de belangen van Nederland;
– het hebben van een gunstige kosten-baten verhouding;
– het ontvangen van medefinanciering door andere organisaties dan LNV;
– het project verschilt van projecten waaraan in een voorafgaande aanvraagperiode reeds subsidie is verleend;
– ingeval het een project betreft in de Russische Federatie of Oekraïne, het bijdragen aan de gezamenlijke door Nederland en de Russische Federatie respectievelijk Oekraïne opgestelde werkplannen in het kader van de Memoranda of Understanding op het gebied van respectievelijk milieu bescherming en natuur, met uitzondering van het onderwerp waterkwaliteitsbeheer in het gezamenlijke werkplan met de Russische Federatie.
2. De minister houdt bij de rangschikking van de aanvragen rekening met een evenwichtige verdeling van de middelen over de thematische invalshoeken, genoemd in artikel 4, over de doellanden en over projecten.
3. Voor de aanvraagperioden in de jaren 2007 en 2008 worden projecten met de volgende thematische invalhoeken of in de volgende doellanden hoger gerangschikt:
a. projecten ter ondersteuning van nationale beleidsontwikkeling op het gebied van ecologische netwerken;
b. projecten ter ondersteuning van de totstandkoming van mariene beschermde gebieden;
c. projecten ter stimulering van de integratie van biodiversiteit in de sectoren landbouw, bosbouw, visserij en recreatie en toerisme.
4. De minister maakt het in het derde lid genoemde besluit bekend in de Staatscourant.