BWBR0018330
Geldig vanaf 2005-05-26
Artikel 2
Mandaatregeling Ministerie van Justitie 2005
Aan de secretaris-generaal wordt mandaat verleend ten aanzien van de tot de verantwoordelijkheid van de bewindspersoon behorende aangelegenheden, met uitzondering van de bevoegdheid tot het nemen van besluiten die zijn neergelegd in een document, gericht tot:
a. de Koningin;
b. de raad van ministers van het Koninkrijk, de ministerraad of een daaruit gevormde onderraad of commissie;
c. de voorzitter van de Eerste of Tweede Kamer der Staten-Generaal of van een uit die Kamer gevormde commissie;
d. de vice-president van de Raad van State van het Koninkrijk of de vice-president van de Raad van State;
e. de president van de Algemene Rekenkamer; of
f. de Nationale ombudsman, indien de strekking daarvan is dat aan een aanbeveling van de Nationale ombudsman geen gevolg wordt gegeven.
a. de Koningin;
b. de raad van ministers van het Koninkrijk, de ministerraad of een daaruit gevormde onderraad of commissie;
c. de voorzitter van de Eerste of Tweede Kamer der Staten-Generaal of van een uit die Kamer gevormde commissie;
d. de vice-president van de Raad van State van het Koninkrijk of de vice-president van de Raad van State;
e. de president van de Algemene Rekenkamer; of
f. de Nationale ombudsman, indien de strekking daarvan is dat aan een aanbeveling van de Nationale ombudsman geen gevolg wordt gegeven.