Aan de hoofden van de afdelingen, bedoeld in de artikelen 3 tot en met 6, wordt mandaat en machtiging verleend met betrekking tot:
a. het nemen van besluiten over en het vaststellen en ondertekenen van stukken die betrekking hebben op de personeelsaangelegenheden ten behoeve van de eigen organisatorische eenheid, voor zover het betreft: 1°. het opmaken, niet zijnde vaststellen, van een beoordeling van medewerkers;
2°. het houden van manager-medewerkergesprekken;
3°. verlof van medewerkers;
4°. kleine beloningen, niet zijnde gratificaties, onder gelijktijdige mededeling daarvan aan de directeur Sociale Verzekeringen;
1°. het opmaken, niet zijnde vaststellen, van een beoordeling van medewerkers;
2°. het houden van manager-medewerkergesprekken;
3°. verlof van medewerkers;
4°. kleine beloningen, niet zijnde gratificaties, onder gelijktijdige mededeling daarvan aan de directeur Sociale Verzekeringen;
b. het paraferen van stukken, niet zijnde SV-voortouw-stukken, met uitzondering van stukken waarvan, gelet op het belang daarvan, redelijkerwijs vermoed kan worden dat deze door de directeur Sociale Verzekeringen afgedaan moeten worden.