1. Hogere waarden dan de in
artikel 7, eerste lid, van het Besluit geluidhinder spoorwegengenoemde waarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting, vanwege een spoorweg, welke ingevolge
artikel 13, zesde lid, van het Subsidiebesluit openbare lichamen milieubeheer, zoals dat luidde voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit, door Onze Minister met overeenkomstige toepassing van
artikel 90, tweede lid, van de Wet geluidhinderzijn voorbereid voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit, en vastgesteld na inwerkingtreding van dit besluit gelden als door Onze Minister vastgestelde ten hoogste toelaatbare waarden voor de geluidsbelasting als bedoeld in
artikel 27, tweede lid, van het Besluit geluidhinder spoorwegen, zoals dat luidt vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit.
2. Met betrekking tot het vaststellen van hogere waarden in de zin van de
artikelen 8 tot en met 10ten aanzien waarvan een ontwerp voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit ter inzage is gelegd in de zin van
artikel 15, blijft het recht zoals dat gold voor dat tijdstip van toepassing.
3. Het recht zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit, blijft van toepassing indien de resultaten van het ingesteld akoestisch onderzoek in de zin van
artikel 20aan burgemeester en wethouders zijn overgelegd.