De minister beoordeelt de aanvragen voor projecten naast de criteria omschreven in
artikel 9, eerste lid, van de regeling, tevens aan de hand van de volgende criteria:
a. Voor wat betreft de categorie, genoemd in artikel 3, onderdeel a: de meerwaarde voor het kennissysteem van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit als geheel, in het bijzonder blijkend uit: 1. de mate waarin het project concrete resultaten en effecten tracht te bewerkstelligen voor de doelgroepen;
2. de mate waarin de doelgroepen een bijdrage leveren aan de uitvoering van het project;
3. de relevantie voor of betrokkenheid van het initiële onderwijs bij het project;
4. de betrokkenheid van de relevante expertise;
5. de mate waarin het project bijdraagt aan de invulling of het gebruik van de in ontwikkeling zijnde landelijke infrastructuur.
1. de mate waarin het project concrete resultaten en effecten tracht te bewerkstelligen voor de doelgroepen;
2. de mate waarin de doelgroepen een bijdrage leveren aan de uitvoering van het project;
3. de relevantie voor of betrokkenheid van het initiële onderwijs bij het project;
4. de betrokkenheid van de relevante expertise;
5. de mate waarin het project bijdraagt aan de invulling of het gebruik van de in ontwikkeling zijnde landelijke infrastructuur.
b. Voor wat betreft de categorie, genoemd in artikel 3, onderdeel b: de meerwaarde voor het groene onderwijs als geheel, in het bijzonder blijkend uit: 1. de mate waarin het project bijdraagt aan de ontwikkeling of implementatie van competentiegericht leren, waar mogelijk ondersteund door informatie- en communicatietechnologie;
2. de mate waarin het project bijdraagt aan inhoudelijke vernieuwing van de groene opleidingen en de relevantie daarvan voor het beleid van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;
3. de mate waarin het project bijdraagt aan doorlopende leerlijnen of leerarrangementen;
4. de mate waarin de doelgroepen een bijdrage leveren aan de uitvoering van het project;
5. de mate waarin het project bijdraagt aan de invulling of het gebruik van de in ontwikkeling zijnde landelijke infrastructuur.
1. de mate waarin het project bijdraagt aan de ontwikkeling of implementatie van competentiegericht leren, waar mogelijk ondersteund door informatie- en communicatietechnologie;
2. de mate waarin het project bijdraagt aan inhoudelijke vernieuwing van de groene opleidingen en de relevantie daarvan voor het beleid van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;
3. de mate waarin het project bijdraagt aan doorlopende leerlijnen of leerarrangementen;
4. de mate waarin de doelgroepen een bijdrage leveren aan de uitvoering van het project;
5. de mate waarin het project bijdraagt aan de invulling of het gebruik van de in ontwikkeling zijnde landelijke infrastructuur.