BWBR0018039
Geldig vanaf 2010-10-23
Artikel 8
Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken
1. Onze Minister neemt bij de beoordeling van subsidieaanvragen, mede in relatie tot overige aanvragen waarop nog niet is beslist, in acht de mate waarin:
a. de activiteiten bijdragen aan het realiseren van de doelstellingen van de subsidie,
b. de subsidie in evenredige verhouding staat tot aard, omvang en beoogde resultaten van de activiteiten,
c. de activiteiten een meer dan incidentele uitwerking kunnen hebben en
d. draagvlak voor de activiteiten bestaat, bijvoorbeeld blijkend uit een bijdrage in de kosten door betrokkenen.
2. Onze Minister kan bij de beoordeling van subsidieaanvragen mede betrekken:
a. de positie van vrouwen,
b. de gevolgen voor het milieu,
c. de naleving van internationaal aanvaarde humanitaire principes door de subsidieaanvrager, alsmede
d. de gevolgen voor internationaal erkende burger-, politieke, economische, sociale en culturele rechten van de mens.
3. Onze Minister kan bij de beoordeling van subsidieaanvragen voorts rekening houden met:
a. een spreiding van uitgaven over de loop van het subsidietijdvak,
b. de mate waarin een spreiding van de beschikbare middelen over verschillende ontvangers bijdraagt aan de doelmatigheid van de besteding daarvan en in een evenredige verhouding staat tot de administratieve lasten bij de verstrekking van subsidie,
c. de mate waarin de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd voorzien in een behoefte, mede gelet op het geheel van verrichte activiteiten en
d. een evenwichtige spreiding over doelgroepen, regio's, thema's, aard van de activiteiten, vorm van de subsidie en andere voor de subsidieverstrekking relevante invalshoeken.
a. de activiteiten bijdragen aan het realiseren van de doelstellingen van de subsidie,
b. de subsidie in evenredige verhouding staat tot aard, omvang en beoogde resultaten van de activiteiten,
c. de activiteiten een meer dan incidentele uitwerking kunnen hebben en
d. draagvlak voor de activiteiten bestaat, bijvoorbeeld blijkend uit een bijdrage in de kosten door betrokkenen.
2. Onze Minister kan bij de beoordeling van subsidieaanvragen mede betrekken:
a. de positie van vrouwen,
b. de gevolgen voor het milieu,
c. de naleving van internationaal aanvaarde humanitaire principes door de subsidieaanvrager, alsmede
d. de gevolgen voor internationaal erkende burger-, politieke, economische, sociale en culturele rechten van de mens.
3. Onze Minister kan bij de beoordeling van subsidieaanvragen voorts rekening houden met:
a. een spreiding van uitgaven over de loop van het subsidietijdvak,
b. de mate waarin een spreiding van de beschikbare middelen over verschillende ontvangers bijdraagt aan de doelmatigheid van de besteding daarvan en in een evenredige verhouding staat tot de administratieve lasten bij de verstrekking van subsidie,
c. de mate waarin de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd voorzien in een behoefte, mede gelet op het geheel van verrichte activiteiten en
d. een evenwichtige spreiding over doelgroepen, regio's, thema's, aard van de activiteiten, vorm van de subsidie en andere voor de subsidieverstrekking relevante invalshoeken.