BWBR0017939
Geldig vanaf 2005-02-01
Artikel 5
Informatiestatuut Onderzoeksraad voor veiligheid
1. De raad informeert de minister over:
a. de verwachte ontwikkelingen in de taakuitoefening van de raad en de daarmee samenhangende veranderingen in de werkwijze van de raad voor zover deze met het oog op de uitoefening van de taak van de minister van betekenis kunnen worden geacht of de geraamde financiële bijdrage ten laste van de begroting van het Ministerie van Justitie en Veiligheid aanmerkelijk kunnen beïnvloeden;
b. de doeltreffendheid en de doelmatigheid van de algemene of nader geoperationaliseerde doelstellingen.
2. Ten aanzien van voorvallen informeert de raad de minister over:
a. welke voorvallen zich hebben voorgedaan waarnaar de raad overeenkomstig artikel 5, eerste lid, van de rijkswet verplicht is een onderzoek in te stellen en naar welke voorvallen de raad een onderzoek heeft ingesteld onderverdeeld naar sectoren;
b. welke andere voorvallen dan bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de rijkswet zich hebben voorgedaan waarnaar de raad een onderzoek heeft ingesteld;
c. de gevallen waarin overeenkomstig de artikelen 5, eerste en tweede lid, en 6 van de Regeling Onderzoeksraad voor veiligheid melding is gedaan van een voorval;
d. de gevallen waarin overeenkomstig de artikelen 7, eerste lid, 8, eerste lid, en 9, eerste lid, van de Regeling Onderzoeksraad voor veiligheid melding is gedaan van het instellen van een onderzoek dan wel een voorlopig bericht is verzonden;
e. de gevallen waarin overeenkomstig de artikelen 10, 16 en 17 van de Regeling Onderzoeksraad voor veiligheid een conceptrapport dan wel een rapport of een afschrift van een rapport is verzonden;
f. de gevallen waarin de raad overeenkomstig artikel 12 van de Regeling Onderzoeksraad voor veiligheid staten met aanmerkelijk belang heeft uitgenodigd een verzoek te doen een vertegenwoordiger te laten deelnemen aan een onderzoek, de gevallen waarin bedoelde staten daadwerkelijk een verzoek tot deelname hebben gedaan en de gevallen waarin een verzoek heeft geresulteerd in daadwerkelijke deelname van een vertegenwoordiger van bedoelde staten als waarnemer, onderzoeker of als deskundige, de gevallen waarin overeenkomstig artikel 12 van het besluit gevolg is gegeven aan een verzoek;
g. de gevallen waarin overeenkomstig artikel 11 en 13 van de Regeling Onderzoeksraad voor veiligheid de in genoemd artikel 11 bedoelde vertegenwoordiger respectievelijk in genoemd artikel 13 bedoelde deskundige aan een onderzoek heeft deelgenomen;
h. de gevallen waarin overeenkomstig artikel 23 van het besluit bijstand is verleend;
i. de gevallen waarin overeenkomstig artikel 19, eerste lid, van het besluit aan een onderzoek buiten Nederland is deelgenomen.
3. De in het eerste lid en tweede lid, aanhef en onder a, b en i, bedoelde informatieverstrekking vindt elk jaar plaats. De in het tweede lid, aanhef en onder c tot en met h, bedoelde informatieverstrekking vindt desgevraagd binnen redelijke termijn plaats.
a. de verwachte ontwikkelingen in de taakuitoefening van de raad en de daarmee samenhangende veranderingen in de werkwijze van de raad voor zover deze met het oog op de uitoefening van de taak van de minister van betekenis kunnen worden geacht of de geraamde financiële bijdrage ten laste van de begroting van het Ministerie van Justitie en Veiligheid aanmerkelijk kunnen beïnvloeden;
b. de doeltreffendheid en de doelmatigheid van de algemene of nader geoperationaliseerde doelstellingen.
2. Ten aanzien van voorvallen informeert de raad de minister over:
a. welke voorvallen zich hebben voorgedaan waarnaar de raad overeenkomstig artikel 5, eerste lid, van de rijkswet verplicht is een onderzoek in te stellen en naar welke voorvallen de raad een onderzoek heeft ingesteld onderverdeeld naar sectoren;
b. welke andere voorvallen dan bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de rijkswet zich hebben voorgedaan waarnaar de raad een onderzoek heeft ingesteld;
c. de gevallen waarin overeenkomstig de artikelen 5, eerste en tweede lid, en 6 van de Regeling Onderzoeksraad voor veiligheid melding is gedaan van een voorval;
d. de gevallen waarin overeenkomstig de artikelen 7, eerste lid, 8, eerste lid, en 9, eerste lid, van de Regeling Onderzoeksraad voor veiligheid melding is gedaan van het instellen van een onderzoek dan wel een voorlopig bericht is verzonden;
e. de gevallen waarin overeenkomstig de artikelen 10, 16 en 17 van de Regeling Onderzoeksraad voor veiligheid een conceptrapport dan wel een rapport of een afschrift van een rapport is verzonden;
f. de gevallen waarin de raad overeenkomstig artikel 12 van de Regeling Onderzoeksraad voor veiligheid staten met aanmerkelijk belang heeft uitgenodigd een verzoek te doen een vertegenwoordiger te laten deelnemen aan een onderzoek, de gevallen waarin bedoelde staten daadwerkelijk een verzoek tot deelname hebben gedaan en de gevallen waarin een verzoek heeft geresulteerd in daadwerkelijke deelname van een vertegenwoordiger van bedoelde staten als waarnemer, onderzoeker of als deskundige, de gevallen waarin overeenkomstig artikel 12 van het besluit gevolg is gegeven aan een verzoek;
g. de gevallen waarin overeenkomstig artikel 11 en 13 van de Regeling Onderzoeksraad voor veiligheid de in genoemd artikel 11 bedoelde vertegenwoordiger respectievelijk in genoemd artikel 13 bedoelde deskundige aan een onderzoek heeft deelgenomen;
h. de gevallen waarin overeenkomstig artikel 23 van het besluit bijstand is verleend;
i. de gevallen waarin overeenkomstig artikel 19, eerste lid, van het besluit aan een onderzoek buiten Nederland is deelgenomen.
3. De in het eerste lid en tweede lid, aanhef en onder a, b en i, bedoelde informatieverstrekking vindt elk jaar plaats. De in het tweede lid, aanhef en onder c tot en met h, bedoelde informatieverstrekking vindt desgevraagd binnen redelijke termijn plaats.