BWBR0017813
Geldig vanaf 2005-01-01
Artikel 2
Regeling pleegzorg
1. De pleegouder, dan wel één der pleegouders, heeft tenminste de leeftijd van eenentwintig jaren bereikt. Een pleegouder is niet tevens degene, die door de desbetreffende zorgaanbieder van pleegzorg is belast met de begeleiding van pleegouder(s).
2. Een pleegouder en alle personen van 12 jaar en ouder die als inwonenden op het adres van de pleegouder staan ingeschreven, beschikken over een verklaring van geen bezwaar die voor de aanvang van de opvoeding en verzorging van een pleegkind is afgegeven door de raad voor de kinderbescherming, waaruit blijkt dat er geen sprake is van bezwarende feiten en omstandigheden voor het verzorgen en opvoeden van een pleegkind. De verklaring is vereist voorafgaand aan de plaatsing van een eerste pleegkind, bij de komst van nieuwe inwonenden en indien de pleegouder gedurende twee jaren geen pleegouder is geweest.
3. Een pleegouder biedt ondersteuning bij de uitvoering van het hulpverleningsplan en aanvaardt, tenzij het betreft een pleegouder als bedoeld in artikel 3, tweede lid, de begeleiding door de aanbieder van pleegzorg.
4. Een pleegouder biedt slechts verzorging en opvoeding aan een pleegkind, indien de betrokken aanbieder of aanbieders van pleegzorg hebben vastgesteld dat de pleegouder, gelet op zijn opvoedingsmogelijkheden, de leeftijd en de problemen van het pleegkind, de samenstelling van het pleeggezin en de verwachte duur, geschikt is voor de verzorging en opvoeding van dat pleegkind.
5. In afwijking van het tweede en vierde lid, biedt een pleegouder die een pleegkind verzorgt en opvoedt op het moment dat een aanspraak van het pleegkind op verblijf bij een pleegouder tot gelding wordt gebracht bij een aanbieder van pleegzorg, slechts verzorging en opvoeding aan het pleegkind, als de betrokken aanbieder van pleegzorg heeft vastgesteld dat het verblijf bij die pleegouder niet schadelijk is voor de ontwikkeling van het pleegkind. In dergelijke gevallen voldoet de pleegouder aan het tweede en vierde lid, binnen dertien weken nadat de aanspraak tot gelding is gebracht.
6. Het eerste tot en met vijfde lid, zijn niet van toepassing op een pleegouder die als enige de voogdij heeft gekregen over een pleegkind dat hij op het moment dat hij tot voogd werd benoemd op basis van een pleegcontract als bedoeld in artikel 22 van de wetverzorgde en opvoedde.
2. Een pleegouder en alle personen van 12 jaar en ouder die als inwonenden op het adres van de pleegouder staan ingeschreven, beschikken over een verklaring van geen bezwaar die voor de aanvang van de opvoeding en verzorging van een pleegkind is afgegeven door de raad voor de kinderbescherming, waaruit blijkt dat er geen sprake is van bezwarende feiten en omstandigheden voor het verzorgen en opvoeden van een pleegkind. De verklaring is vereist voorafgaand aan de plaatsing van een eerste pleegkind, bij de komst van nieuwe inwonenden en indien de pleegouder gedurende twee jaren geen pleegouder is geweest.
3. Een pleegouder biedt ondersteuning bij de uitvoering van het hulpverleningsplan en aanvaardt, tenzij het betreft een pleegouder als bedoeld in artikel 3, tweede lid, de begeleiding door de aanbieder van pleegzorg.
4. Een pleegouder biedt slechts verzorging en opvoeding aan een pleegkind, indien de betrokken aanbieder of aanbieders van pleegzorg hebben vastgesteld dat de pleegouder, gelet op zijn opvoedingsmogelijkheden, de leeftijd en de problemen van het pleegkind, de samenstelling van het pleeggezin en de verwachte duur, geschikt is voor de verzorging en opvoeding van dat pleegkind.
5. In afwijking van het tweede en vierde lid, biedt een pleegouder die een pleegkind verzorgt en opvoedt op het moment dat een aanspraak van het pleegkind op verblijf bij een pleegouder tot gelding wordt gebracht bij een aanbieder van pleegzorg, slechts verzorging en opvoeding aan het pleegkind, als de betrokken aanbieder van pleegzorg heeft vastgesteld dat het verblijf bij die pleegouder niet schadelijk is voor de ontwikkeling van het pleegkind. In dergelijke gevallen voldoet de pleegouder aan het tweede en vierde lid, binnen dertien weken nadat de aanspraak tot gelding is gebracht.
6. Het eerste tot en met vijfde lid, zijn niet van toepassing op een pleegouder die als enige de voogdij heeft gekregen over een pleegkind dat hij op het moment dat hij tot voogd werd benoemd op basis van een pleegcontract als bedoeld in artikel 22 van de wetverzorgde en opvoedde.