BWBR0017726
Geldig vanaf 2015-12-10
Artikel 10
Regeling veiligheid Arubaanse, Curaçaose en Sint Maartense zeeschepen
1. De onderzoeken, bedoeld in de artikelen 18, 19en 19a van het besluit, worden uitgevoerd door een daartoe krachtens artikel 23 van het besluitaangewezen organisatie naar de keuze van de eigenaar.
2. De onderzoeken waaraan een schip waarvoor een internationaal veiligheidscertificaat als bedoeld in de artikelen 5, eerste lid, onderdeel a of b, of 7 van het besluitbenodigd is, ingevolge de artikelen 13, 14, 16en 17 van het besluitof de artikelen 6d, 7en 8van deze regeling wordt onderworpen, worden uitgevoerd door de krachtens artikel 23 van het besluitaangewezen organisatie waar het schip is geklasseerd.
3. De onderzoeken waaraan een schip, niet zijnde een schip als bedoeld in het tweede of vierde lid, ingevolge de artikelen 13, 14, 15of 17 van het besluitof de artikelen 6a tot en met 8van deze regeling wordt onderworpen, worden uitgevoerd door:
a. voor de onderzoeken, bedoeld in de artikelen 13, 14, derde lid, 15, eerste tot en met derde lid, en 17 van het besluit: de krachtens artikel 23 van het besluit aangewezen organisatie waar het schip is geklasseerd;
b. voor de overige onderzoeken: door ambtenaren van de Scheepvaartinspectie of, indien de op grond van artikel 3 van de Regeling erkende organisaties Schepenwet met de desbetreffende organisatie gesloten overeenkomst daarin voorziet, door de krachtens artikel 23 van het besluit aangewezen organisatie waar het schip is geklasseerd.
4. De onderzoeken waaraan een schip waarvoor het SCV-veiligheidscertificaat behorend bij de SCV-Code benodigd is, ingevolge artikel 6c, eerste lid, wordt onderworpen, worden uitgevoerd door ambtenaren van de Scheepvaartinspectie.
5. Indien krachtens artikel 23 van het besluitvoor bepaalde onderzoeken ook andere organisaties dan de in het tweede en derde lid bedoelde organisaties zijn aangewezen, mogen de desbetreffende onderzoeken in afwijking van het tweede en derde lid ook door deze andere organisaties worden uitgevoerd.
2. De onderzoeken waaraan een schip waarvoor een internationaal veiligheidscertificaat als bedoeld in de artikelen 5, eerste lid, onderdeel a of b, of 7 van het besluitbenodigd is, ingevolge de artikelen 13, 14, 16en 17 van het besluitof de artikelen 6d, 7en 8van deze regeling wordt onderworpen, worden uitgevoerd door de krachtens artikel 23 van het besluitaangewezen organisatie waar het schip is geklasseerd.
3. De onderzoeken waaraan een schip, niet zijnde een schip als bedoeld in het tweede of vierde lid, ingevolge de artikelen 13, 14, 15of 17 van het besluitof de artikelen 6a tot en met 8van deze regeling wordt onderworpen, worden uitgevoerd door:
a. voor de onderzoeken, bedoeld in de artikelen 13, 14, derde lid, 15, eerste tot en met derde lid, en 17 van het besluit: de krachtens artikel 23 van het besluit aangewezen organisatie waar het schip is geklasseerd;
b. voor de overige onderzoeken: door ambtenaren van de Scheepvaartinspectie of, indien de op grond van artikel 3 van de Regeling erkende organisaties Schepenwet met de desbetreffende organisatie gesloten overeenkomst daarin voorziet, door de krachtens artikel 23 van het besluit aangewezen organisatie waar het schip is geklasseerd.
4. De onderzoeken waaraan een schip waarvoor het SCV-veiligheidscertificaat behorend bij de SCV-Code benodigd is, ingevolge artikel 6c, eerste lid, wordt onderworpen, worden uitgevoerd door ambtenaren van de Scheepvaartinspectie.
5. Indien krachtens artikel 23 van het besluitvoor bepaalde onderzoeken ook andere organisaties dan de in het tweede en derde lid bedoelde organisaties zijn aangewezen, mogen de desbetreffende onderzoeken in afwijking van het tweede en derde lid ook door deze andere organisaties worden uitgevoerd.