BWBR0017628
Geldig vanaf 2004-12-10
Artikel 10
Beleidsregels cumulatietoets exploitatiesteun duurzame energie-installaties
1. In het kader van investeringssteun gelden de navolgende rekenregels:
a. de netto contante waarde van het genoten of nog te genieten voordeel van de willekeurige afschrijving milieubedrijfsmiddelen op grond van artikel 3.31 van de Wet inkomstenbelasting 2001 bedraagt NCW Y,1 (0,9*Z*X) - ∑NCW Y,2 tm 10 (0,1*Z*X), waarbij: NCW Y,1 = de disconteringsfactor bij disconteringspercentage Y in jaar 1; NCW Y,2 tm 10 = de som van de disconteringsfactoren bij disconteringspercentage Y in de jaren 2 tot en met 10; Z = het meldingsbedrag VAMIL dat in aanmerking komt voor aftrek; Y = het disconteringspercentage bedoeld in het zevende lid; X = het maximale belastingpercentage Inkomstenbelasting of Vennootschapsbelasting dat van toepassing is in het jaar na het jaar van ingebruikname van de productieinstallatie- waarbij tot en met 2004 voor de Inkomstenbelasting wordt uitgegaan van 52% en voor de vennootschapsbelasting van 34,5%;
b. de netto contante waarde van het genoten of nog te genieten voordeel krachtens de Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001 bedraagt NCW Y,1 (X*W*V), waarbij: NCW Y,1 = de disconteringsfactor bij disconteringspercentage Y in jaar 1; Y = het disconteringspercentage bedoeld in het zevende lid; X = het maximale belastingpercentage Inkomstenbelasting of Vennootschapsbelasting dat van toepassing is in het jaar na het jaar van ingebruikname van de productieinstallatie, waarbij tot en met 2004 voor de Inkomstenbelasting wordt uitgegaan van 52% en voor de vennootschapsbelasting van 34,5%; W = het meldingsbedrag EIA dat in aanmerking komt voor aftrek; V = het EIA aftrekpercentage dat van toepassing is op het moment van melding van de investering in het kader van de EIA.
c. de netto contante waarde van het genoten of nog te genieten voordeel van de milieu-investeringsaftrek op grond van artikel 3.42a van de Wet inkomstenbelasting 2001 bedraagt NCW Y,1 (X*U*T), waarbij: NCW Y,1 = de disconteringsfactor bij disconteringspercentage Y in jaar 1; Y = het disconteringspercentage bedoeld in het zevende lid; X = het maximale belastingpercentage Inkomstenbelasting of Vennootschapsbelasting dat van toepassing is in het jaar na het jaar van ingebruikname van de productieinstallatie, waarbij tot en met 2004 voor de Inkomstenbelasting wordt uitgegaan van 52% en voor de vennootschapsbelasting van 34,5%; U = het meldingsbedrag MIA dat in aanmerking komt voor aftrek; T = het MIA aftrekpercentage dat van toepassing is op het moment van melding van de investering in het kader van de MIA.
d. De netto contante waarde van het genoten of nog te genieten voordeel uit een financiering op grond van de Regeling groenprojecten wordt forfaitair vastgesteld op 1% van het jaarlijkse leningsbedrag waarbij wordt uitgegaan van een over een periode van 10 jaar lineair aflopend leningsbedrag.
2. SenterNovem kan bij de berekening van de cumulatietoets in het kader van de MEP-subsidievaststelling afwijkende waarden hanteren, indien:
a. de subsidieaanvrager deze waarden kan aantonen door middel van een accountantsverklaring of
b. er sprake is van een aantoonbare langere bouwtijd dan 1 jaar. In dat geval kunnen de uitkomsten van de rekenregels van het eerste lid vermenigvuldigd worden met de factor 1 / (1 + Y) (S – 12)/24, waarbij: Y = het disconteringspercentage bedoeld in het zevende lid gedeeld door 100; S = de bouwtijd in maanden. Hieronder wordt verstaan de tijd tussen de eerste betaling en de laatste betaling van die kosten die betrekking hebben op de fysieke bouw van de installatie.
de afwijking leidt tot een andere uitkomst dan de cumulatietoets in het kader van de MEP-subsidieverlening die meer bedraagt dan € 10.000;
3. De netto investeringskosten bestaan uit de investeringskosten verminderd met investeringssteun.
4. De netto contante waarde van de billijke kapitaalvergoeding wordt berekend bij een gemiddeld rendement van het geïnvesteerde vermogen van 8% uitgaande van een geïnvesteerd vermogen in de installatie dat lineair afloopt over een afschrijvingstermijn van 10 jaar.
5. SenterNovem kan een afwijkende waarde voor het gemiddeld rendement van het geïnvesteerd vermogen hanteren indien de producent schriftelijk aantoont dat bij de start van de financiering voor hem een andere verhouding tussen vreemd vermogen en eigen vermogen van toepassing is, waarbij als grenswaarden gelden 15% voor inbreng van eigen vermogen en 6% voor inbreng van het vreemd vermogen.
6. SenterNovem kan een afwijkende waarde hanteren voor een voordeel genoten op grond van hoofdstuk VA van de Wet belastingen op milieugrondslagindien de producent aantoont dat hij:
a. geen onderdeel uitmaakt van een energiebedrijf dat met de uitvoering van de regulerende energiebelasting was belast, en
b. b. niet het volledige voordeel op grond hoofdstuk VA van de Wet belastingen op milieugrondslag heeft ontvangen. Hij toont dit aan door middel van kopieën van energieleveringscontracten en energienota’s. Indien de energieleveringscontracten of de energienota’s de genoten belastingvoordelen onvoldoende aantonen, bedragen de voordelen de contractueel afgesproken en betaalde vergoeding per MWh verminderd met 1° € 21,- per MWh indien met de productie-installatie elektriciteit uit wind of zon wordt opgewekt, of
2° € 27,- per MWh indien het een andere productie-installatie betreft. De voordelen zullen nooit hoger zijn dan de maximale voordelen die op grond van hoofdstuk VA van de Wet belastingen op Milieugrondslag genoten kunnen worden.
1° € 21,- per MWh indien met de productie-installatie elektriciteit uit wind of zon wordt opgewekt, of
2° € 27,- per MWh indien het een andere productie-installatie betreft.
7. SenterNovem gebruikt voor de berekening van de netto contante waarde van de MEP-subsidie en overige exploitatiesteun het discontopercentage dat tijdens de periode van de MEP-subsidieaanvraag geldt en dat door de Europese Commissie wordt gepubliceerd op de website van de Europese Commissie. Voor de productie-installaties die voor 1 juli 2003 in bedrijf zijn genomen geldt het discontopercentage ten tijde van de inbedrijfname.
a. de netto contante waarde van het genoten of nog te genieten voordeel van de willekeurige afschrijving milieubedrijfsmiddelen op grond van artikel 3.31 van de Wet inkomstenbelasting 2001 bedraagt NCW Y,1 (0,9*Z*X) - ∑NCW Y,2 tm 10 (0,1*Z*X), waarbij: NCW Y,1 = de disconteringsfactor bij disconteringspercentage Y in jaar 1; NCW Y,2 tm 10 = de som van de disconteringsfactoren bij disconteringspercentage Y in de jaren 2 tot en met 10; Z = het meldingsbedrag VAMIL dat in aanmerking komt voor aftrek; Y = het disconteringspercentage bedoeld in het zevende lid; X = het maximale belastingpercentage Inkomstenbelasting of Vennootschapsbelasting dat van toepassing is in het jaar na het jaar van ingebruikname van de productieinstallatie- waarbij tot en met 2004 voor de Inkomstenbelasting wordt uitgegaan van 52% en voor de vennootschapsbelasting van 34,5%;
b. de netto contante waarde van het genoten of nog te genieten voordeel krachtens de Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001 bedraagt NCW Y,1 (X*W*V), waarbij: NCW Y,1 = de disconteringsfactor bij disconteringspercentage Y in jaar 1; Y = het disconteringspercentage bedoeld in het zevende lid; X = het maximale belastingpercentage Inkomstenbelasting of Vennootschapsbelasting dat van toepassing is in het jaar na het jaar van ingebruikname van de productieinstallatie, waarbij tot en met 2004 voor de Inkomstenbelasting wordt uitgegaan van 52% en voor de vennootschapsbelasting van 34,5%; W = het meldingsbedrag EIA dat in aanmerking komt voor aftrek; V = het EIA aftrekpercentage dat van toepassing is op het moment van melding van de investering in het kader van de EIA.
c. de netto contante waarde van het genoten of nog te genieten voordeel van de milieu-investeringsaftrek op grond van artikel 3.42a van de Wet inkomstenbelasting 2001 bedraagt NCW Y,1 (X*U*T), waarbij: NCW Y,1 = de disconteringsfactor bij disconteringspercentage Y in jaar 1; Y = het disconteringspercentage bedoeld in het zevende lid; X = het maximale belastingpercentage Inkomstenbelasting of Vennootschapsbelasting dat van toepassing is in het jaar na het jaar van ingebruikname van de productieinstallatie, waarbij tot en met 2004 voor de Inkomstenbelasting wordt uitgegaan van 52% en voor de vennootschapsbelasting van 34,5%; U = het meldingsbedrag MIA dat in aanmerking komt voor aftrek; T = het MIA aftrekpercentage dat van toepassing is op het moment van melding van de investering in het kader van de MIA.
d. De netto contante waarde van het genoten of nog te genieten voordeel uit een financiering op grond van de Regeling groenprojecten wordt forfaitair vastgesteld op 1% van het jaarlijkse leningsbedrag waarbij wordt uitgegaan van een over een periode van 10 jaar lineair aflopend leningsbedrag.
2. SenterNovem kan bij de berekening van de cumulatietoets in het kader van de MEP-subsidievaststelling afwijkende waarden hanteren, indien:
a. de subsidieaanvrager deze waarden kan aantonen door middel van een accountantsverklaring of
b. er sprake is van een aantoonbare langere bouwtijd dan 1 jaar. In dat geval kunnen de uitkomsten van de rekenregels van het eerste lid vermenigvuldigd worden met de factor 1 / (1 + Y) (S – 12)/24, waarbij: Y = het disconteringspercentage bedoeld in het zevende lid gedeeld door 100; S = de bouwtijd in maanden. Hieronder wordt verstaan de tijd tussen de eerste betaling en de laatste betaling van die kosten die betrekking hebben op de fysieke bouw van de installatie.
de afwijking leidt tot een andere uitkomst dan de cumulatietoets in het kader van de MEP-subsidieverlening die meer bedraagt dan € 10.000;
3. De netto investeringskosten bestaan uit de investeringskosten verminderd met investeringssteun.
4. De netto contante waarde van de billijke kapitaalvergoeding wordt berekend bij een gemiddeld rendement van het geïnvesteerde vermogen van 8% uitgaande van een geïnvesteerd vermogen in de installatie dat lineair afloopt over een afschrijvingstermijn van 10 jaar.
5. SenterNovem kan een afwijkende waarde voor het gemiddeld rendement van het geïnvesteerd vermogen hanteren indien de producent schriftelijk aantoont dat bij de start van de financiering voor hem een andere verhouding tussen vreemd vermogen en eigen vermogen van toepassing is, waarbij als grenswaarden gelden 15% voor inbreng van eigen vermogen en 6% voor inbreng van het vreemd vermogen.
6. SenterNovem kan een afwijkende waarde hanteren voor een voordeel genoten op grond van hoofdstuk VA van de Wet belastingen op milieugrondslagindien de producent aantoont dat hij:
a. geen onderdeel uitmaakt van een energiebedrijf dat met de uitvoering van de regulerende energiebelasting was belast, en
b. b. niet het volledige voordeel op grond hoofdstuk VA van de Wet belastingen op milieugrondslag heeft ontvangen. Hij toont dit aan door middel van kopieën van energieleveringscontracten en energienota’s. Indien de energieleveringscontracten of de energienota’s de genoten belastingvoordelen onvoldoende aantonen, bedragen de voordelen de contractueel afgesproken en betaalde vergoeding per MWh verminderd met 1° € 21,- per MWh indien met de productie-installatie elektriciteit uit wind of zon wordt opgewekt, of
2° € 27,- per MWh indien het een andere productie-installatie betreft. De voordelen zullen nooit hoger zijn dan de maximale voordelen die op grond van hoofdstuk VA van de Wet belastingen op Milieugrondslag genoten kunnen worden.
1° € 21,- per MWh indien met de productie-installatie elektriciteit uit wind of zon wordt opgewekt, of
2° € 27,- per MWh indien het een andere productie-installatie betreft.
7. SenterNovem gebruikt voor de berekening van de netto contante waarde van de MEP-subsidie en overige exploitatiesteun het discontopercentage dat tijdens de periode van de MEP-subsidieaanvraag geldt en dat door de Europese Commissie wordt gepubliceerd op de website van de Europese Commissie. Voor de productie-installaties die voor 1 juli 2003 in bedrijf zijn genomen geldt het discontopercentage ten tijde van de inbedrijfname.