BWBR0017622
Geldig vanaf 2005-01-01
Artikel 28
Besluit keuring spoorvoertuigen
1. De aanvraag voor afgifte of wijziging van een inzetcertificaat voor een spoorvoertuig of typen spoorvoertuigen als bedoeld in artikel 36, vierde lid, van de wet, voor gebruik op de hoofdspoorweginfrastructuur, wordt ingediend door de spoorwegonderneming die het voertuig gebruikt of door de eigenaar of houder van het spoorvoertuig.
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder houder van het spoorvoertuig verstaan degene die als eigenaar of anderszins beschikkingsbevoegde het voertuig duurzaam als transportmiddel exploiteert.
3. Voor het verkrijgen van een inzetcertificaat voldoen spoorvoertuigen aan door Onze Minister gestelde eisen inzake compatibiliteit als bedoeld in artikel 38, eerste lid, onderdeel a, van de wet.
3. De aanvraag, die vergezeld gaat van een door de keuringsinstantie afgegeven compatibiliteitsverklaring, wordt ingediend bij Onze Minister.
4. Vervallen.
5. Onze Minister vermeldt op het inzetcertificaat de voor dat spoorvoertuig geldende identificatiecode, bedoeld in artikel 14 van richtlijn 96/48/EG onderscheidenlijk artikel 14 van richtlijn 2001/16/EG.
6. Onze Minister verbindt aan het inzetcertificaat de voorschriften dat de houder van dat certificaat:
a. de daarin vermelde identificatiecode op het spoorvoertuig aanbrengt of doet aanbrengen;
b. het spoorvoertuig overeenkomstig de essentiële eisen van richtlijn 96/48/EG onderscheidenlijk richtlijn 2001/16/EG exploiteert en onderhoudt;
c. onverwijld mededeling doet aan Onze Minister van de wijziging van eigenaar of houder van het spoorvoertuig.
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder houder van het spoorvoertuig verstaan degene die als eigenaar of anderszins beschikkingsbevoegde het voertuig duurzaam als transportmiddel exploiteert.
3. Voor het verkrijgen van een inzetcertificaat voldoen spoorvoertuigen aan door Onze Minister gestelde eisen inzake compatibiliteit als bedoeld in artikel 38, eerste lid, onderdeel a, van de wet.
3. De aanvraag, die vergezeld gaat van een door de keuringsinstantie afgegeven compatibiliteitsverklaring, wordt ingediend bij Onze Minister.
4. Vervallen.
5. Onze Minister vermeldt op het inzetcertificaat de voor dat spoorvoertuig geldende identificatiecode, bedoeld in artikel 14 van richtlijn 96/48/EG onderscheidenlijk artikel 14 van richtlijn 2001/16/EG.
6. Onze Minister verbindt aan het inzetcertificaat de voorschriften dat de houder van dat certificaat:
a. de daarin vermelde identificatiecode op het spoorvoertuig aanbrengt of doet aanbrengen;
b. het spoorvoertuig overeenkomstig de essentiële eisen van richtlijn 96/48/EG onderscheidenlijk richtlijn 2001/16/EG exploiteert en onderhoudt;
c. onverwijld mededeling doet aan Onze Minister van de wijziging van eigenaar of houder van het spoorvoertuig.