BWBR0017560
Geldig vanaf 2004-12-05
Artikel 6
Erkenningsregeling penitentiair programma 2004
1. De activiteiten in het kader van een penitentiair programma kunnen worden uitgevoerd door een inrichting, een reclasseringsinstelling, een derde-organisatie of een werkgever.
2. Indien het penitentiair programma of een substantieel gedeelte daarvan uitgevoerd wordt door een derde-organisatie die:
a. door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is erkend als onderwijsinstelling; of
b. op grond van de Reclasseringsregeling van 1995 is erkend als reclasseringsinstelling,
dan vermeldt de organisatie dit bij de aanvraag om erkenning van een penitentiair programma of een module daarvan.
3. Indien het penitentiair programma of een substantieel gedeelte daarvan wordt uitgevoerd door een derde-organisatie, die niet door een in het tweede lid genoemd Ministerie of krachtens een daar genoemde wet of regeling erkend of toegelaten is, wordt bij de voordracht voor erkenning van het penitentiair programma de betrouwbaarheid van de derde-organisatie getoetst.
4. Indien het penitentiair programma of een substantieel gedeelte daarvan uitgevoerd wordt door een werkgever, wordt door de directeur van de inrichting of een reclasseringsinstelling de betrouwbaarheid van de werkgever getoetst.
2. Indien het penitentiair programma of een substantieel gedeelte daarvan uitgevoerd wordt door een derde-organisatie die:
a. door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is erkend als onderwijsinstelling; of
b. op grond van de Reclasseringsregeling van 1995 is erkend als reclasseringsinstelling,
dan vermeldt de organisatie dit bij de aanvraag om erkenning van een penitentiair programma of een module daarvan.
3. Indien het penitentiair programma of een substantieel gedeelte daarvan wordt uitgevoerd door een derde-organisatie, die niet door een in het tweede lid genoemd Ministerie of krachtens een daar genoemde wet of regeling erkend of toegelaten is, wordt bij de voordracht voor erkenning van het penitentiair programma de betrouwbaarheid van de derde-organisatie getoetst.
4. Indien het penitentiair programma of een substantieel gedeelte daarvan uitgevoerd wordt door een werkgever, wordt door de directeur van de inrichting of een reclasseringsinstelling de betrouwbaarheid van de werkgever getoetst.