BWBR0017451
Geldig vanaf 2004-11-21
Artikel 10
Regeling luchtkwaliteit ozon
Monsterneming bij de in de artikelen 7en 8bedoelde meetpunten geschiedt op een zodanige wijze dat:
a. de lucht rond de inlaatbuis vrij kan stromen en er geen voorwerpen zijn die de luchtstroom in de omgeving van de monsternemer beïnvloeden;
b. de hoogte van de inlaatbuis tussen anderhalve en vier meter boven de grond ligt;
c. de uitlaatbuis op een zodanige plaats is gesitueerd dat de lucht daaruit niet opnieuw in de inlaatbuis kan komen.
a. de lucht rond de inlaatbuis vrij kan stromen en er geen voorwerpen zijn die de luchtstroom in de omgeving van de monsternemer beïnvloeden;
b. de hoogte van de inlaatbuis tussen anderhalve en vier meter boven de grond ligt;
c. de uitlaatbuis op een zodanige plaats is gesitueerd dat de lucht daaruit niet opnieuw in de inlaatbuis kan komen.