BWBR0017208
Geldig vanaf 2004-10-06
Artikel 2
Rechtspositiebesluit WRR 2004
1. Het salaris van het lid dat tot voorzitter van de Raad is benoemd, is gelijk aan het maximum van salarisschaal 19 zoals overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren.
2. Het salaris van de overige leden van de Raad wordt vastgesteld overeenkomstig het bedrag dat is verbonden aan het hoogste salarisnummer van schaal 18 zoals overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren.
3. Het salaris van een lid met een onvolledige werktijd wordt vastgesteld op een evenredig deel van het salaris bij een volledige werktijd overeenkomstig hetgeen daarover is overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren.
4. Een lid heeft bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte gedurende een tijdvak van 52 weken recht op doorbetaling van zijn salaris. Bij voortdurende ongeschiktheid heeft hij vervolgens recht op doorbetaling van 70% van zijn salaris.
5. In afwijking van het vierde lid, heeft een lid ook na afloop van het tijdvak van 52 weken, bedoeld in het vierde lid, recht op doorbetaling van zijn salaris over het aantal uren dat hij arbeid heeft verricht of zou hebben verricht indien die arbeid hem zou zijn aangeboden.
6. Bij schorsing als bedoeld in artikel 6kan Onze Minister beslissen dat tijdens de duur van de schorsing geen salaris of slechts een gedeelte van het salaris zal worden genoten, in het laatste geval onder aanwijzing van het deel dat zal worden genoten. Indien de schorsing anders dan door ontslag wordt beëindigd, kan Onze Minister beslissen dat het niet genoten salaris alsnog geheel of gedeeltelijk zal worden uitbetaald, in het laatste geval onder aanwijzing van het gedeelte dat zal worden betaald.
7. Het salaris wordt niet langer uitbetaald dan tot en met de dag van het overlijden.
8. Indien een lid overlijdt, ontvangt zijn weduwe of weduwnaar, waaronder mede wordt verstaan de achtergebleven levenspartner of achtergebleven geregistreerd partner, van wie de overleden ambtenaar niet duurzaam gescheiden leefde, dan wel zijn minderjarige kinderen, een uitkering overeenkomstig de bepalingen die daarover zijn opgenomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren.
2. Het salaris van de overige leden van de Raad wordt vastgesteld overeenkomstig het bedrag dat is verbonden aan het hoogste salarisnummer van schaal 18 zoals overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren.
3. Het salaris van een lid met een onvolledige werktijd wordt vastgesteld op een evenredig deel van het salaris bij een volledige werktijd overeenkomstig hetgeen daarover is overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren.
4. Een lid heeft bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte gedurende een tijdvak van 52 weken recht op doorbetaling van zijn salaris. Bij voortdurende ongeschiktheid heeft hij vervolgens recht op doorbetaling van 70% van zijn salaris.
5. In afwijking van het vierde lid, heeft een lid ook na afloop van het tijdvak van 52 weken, bedoeld in het vierde lid, recht op doorbetaling van zijn salaris over het aantal uren dat hij arbeid heeft verricht of zou hebben verricht indien die arbeid hem zou zijn aangeboden.
6. Bij schorsing als bedoeld in artikel 6kan Onze Minister beslissen dat tijdens de duur van de schorsing geen salaris of slechts een gedeelte van het salaris zal worden genoten, in het laatste geval onder aanwijzing van het deel dat zal worden genoten. Indien de schorsing anders dan door ontslag wordt beëindigd, kan Onze Minister beslissen dat het niet genoten salaris alsnog geheel of gedeeltelijk zal worden uitbetaald, in het laatste geval onder aanwijzing van het gedeelte dat zal worden betaald.
7. Het salaris wordt niet langer uitbetaald dan tot en met de dag van het overlijden.
8. Indien een lid overlijdt, ontvangt zijn weduwe of weduwnaar, waaronder mede wordt verstaan de achtergebleven levenspartner of achtergebleven geregistreerd partner, van wie de overleden ambtenaar niet duurzaam gescheiden leefde, dan wel zijn minderjarige kinderen, een uitkering overeenkomstig de bepalingen die daarover zijn opgenomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren.